ECLI:NL:RVS:2026:1695

Raad van State

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
202405403/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:51d AwbArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raad van State tussenuitspraak over bestemmingsplan en exploitatieplan Brakel-West met bestuurlijke lus

De raad van de gemeente Zaltbommel stelde op 4 juli 2024 het bestemmingsplan en exploitatieplan 'Brakel-West' vast, gericht op de bouw van maximaal 270 woningen. Diverse appellanten, waaronder ondernemers en bewoners uit Brakel, stelden beroep in tegen deze besluiten. Na een herstelbesluit van 23 januari 2025 werden de beroepen voortgezet. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 9 februari 2026.

De beroepen tegen het exploitatieplan werden ongegrond verklaard, waarbij de Afdeling oordeelde dat de raad een actuele en realistische taxatie van de grondwaarde had gehanteerd. Ten aanzien van het bestemmingsplan werden verschillende bezwaren behandeld, waaronder de verkeersgeneratie, parkeervoorzieningen, insluiting van percelen, en de belangen van ondernemers wiens bedrijfsactiviteiten worden beëindigd.

De Afdeling oordeelde dat de raad onvoldoende had geborgd dat woningen in fase 1 pas bewoond mogen worden nadat het bedrijf van appellante sub 1 is beëindigd, en dat onvoldoende rekening was gehouden met geluidsoverlast en belemmeringen voor het bedrijf van appellante sub 2. Deze gebreken leidden tot een bestuurlijke lus, waarbij de raad wordt opgedragen de planregels aan te passen. De beroepen van andere appellanten werden niet-ontvankelijk verklaard of ongegrond. Proceskosten werden toegewezen aan enkele appellanten.

Uitkomst: De beroepen tegen het herstelbesluit zijn deels ongegrond en niet-ontvankelijk verklaard, met een bestuurlijke lus opgelegd voor herstel van gebreken inzake bedrijfsvoering en woonklimaat.

Uitspraak

202405403/1/R4.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
1.       [appellante sub 1], gevestigd in Brakel, gemeente Zaltbommel,
2.       [appellante sub 2], gevestigd in Brakel, gemeente Zaltbommel,
3.       [appellante sub 3], gevestigd in Brakel, gemeente Zaltbommel, waarvan de maten zijn [maat 3A] en [maat 3B], beiden wonend in Brakel, gemeente Zaltbommel,
4.       [appellant sub 4], wonend in Brakel, gemeente Zaltbommel,
5.       [appellant sub 5], wonend in Brakel, gemeente Zaltbommel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Zaltbommel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Brakel-West" en het exploitatieplan "Brakel-West" vastgesteld.
Tegen het bestemmingsplan hebben [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld. [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben ook beroep ingesteld tegen het exploitatieplan.
De raad heeft verweerschriften ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
Bij besluit van 23 januari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel-West" gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit).
[appellante sub 2] heeft een nader stuk ingediend.
Tegen het herstelbesluit heeft [appellante sub 2] een zienswijze ingediend.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2026, waar zijn verschenen:
- [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne,
- [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. M.C. van Meppelen Scheppink, advocaat te Rotterdam,
- [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne,
- [appellant sub 4], bijgestaan door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne,
- [appellant sub 5], bijgestaan door mr. N. Crooijmans, advocaat te Deurne,
- de raad, vertegenwoordigd door M. Malicki en S. Stokkers.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan en een exploitatieplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan en het exploitatieplan onherroepelijk zijn.
Het ontwerpplan is op 22 september 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het plan maakt de bouw van maximaal 270 woningen mogelijk. Het plangebied is gesitueerd in de gemeente Zaltbommel, ten westen van het dorp Brakel. Het plangebied wordt begrensd door de Appelweg, tuinen van de woningen langs de Molensteeg, de Groenesteeg, de Weitjesweg en de Engsteeg. Binnen het plangebied zijn momenteel nog bedrijven gevestigd. In het bestreden plan zijn de bedrijfsactiviteiten wegbestemd en zijn de bedrijfswoningen bestemd als gewone woningen. Daarnaast is er onder meer ten noorden van het plangebied een bedrijf gevestigd.
3.       De gronden van het plangebied zijn in de huidige situatie agrarisch in gebruik, voor een groot deel in de vorm van glastuinbouw. Langs de ontsluitingswegen staan enkele bedrijfswoningen.
4.       De gemeente is de initiatiefnemer van het plan.
5.       [appellante sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben beroep ingesteld tegen het bestemmingsplan. [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben ook beroep ingesteld tegen het exploitatieplan.
[appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] te Brakel en exploiteert daar een bedrijf dat zich richt op de teelt van bloembollen. De maten [maat 1A] en [maat 1B] wonen aan de [locatie 2] te Brakel en de [locatie 1] te Brakel.
[appellante sub 2] is buiten het plangebied gevestigd aan de [locatie 3] te Brakel en exploiteert daar een glastuinbouwbedrijf voor orchideeën.
[appellante sub 3] is gesitueerd aan de [locatie 4] te Brakel en exploiteert daar een bedrijf gericht op de teelt van snijbloemen en snijheesters.
[appellant sub 4] woont aan de [locatie 5] te Brakel.
[appellant sub 5] woont aan de [locatie 6] te Brakel.
6.       Naar aanleiding van de ingediende beroepschriften heeft de raad bij besluit van 23 januari 2025 het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel-West" gewijzigd vastgesteld.
Betekenis van het herstelbesluit
7.       Met het herstelbesluit zijn het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel-West" gewijzigd vastgesteld. Daarom is met dit besluit het besluit van 4 juli 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel-West", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. Aangezien het herstelbesluit niet geheel aan de beroepen tegemoetkomt, hebben de beroepen van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit.
Omdat het herstelbesluit het oorspronkelijke besluit heeft vervangen, zal de Afdeling eerst het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit bespreken. Daarna zal de Afdeling bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van het oorspronkelijke besluit.
BESLUIT VAN 23 JANUARI 2025
8.       Met betrekking tot het herstelbesluit zal de Afdeling eerst ingaan op de beroepsgronden tegen het exploitatieplan en vervolgens zal de Afdeling de beroepsgronden tegen het bestemmingsplan bespreken.
EXPLOITATIEPLAN
Ingetrokken beroepsgrond
9.       Op de zitting hebben [appellante sub 3], [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] hun beroepsgrond tegen het exploitatieplan over de beoordeling van de kostenraming ingetrokken.
Beoordeling inbrengwaarden
10.     [appellante sub 3], [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] voeren aan dat de beoordeling van de inbrengwaarden in het exploitatieplan onzorgvuldig is.
Zo voeren zij - kort samengevat - aan dat nog steeds onjuist is dat wordt uitgegaan van verouderde transacties uit 2022 en 2023. Deze transacties kunnen niet als onderbouwing dienen. In dat kader wijzen zij erop dat de grondmarkt in het gebied fors in ontwikkeling is en er sprake is van een enorme druk op de grondprijs. Dat betekent dat het niet mogelijk is dat transacties uit 2022 en 2023 nog steeds actueel zijn en kunnen dienen als onderbouwing.
10.1.  De raad stelt in zijn verweerschrift dat hij een hertaxatie heeft laten uitvoeren waarbij de in de eerdere taxatie genoemde transacties zijn aangevuld. Dat daarbij nog steeds enkele transacties uit de jaren 2022 en 2023 als referentie zijn opgenomen is juist mede vanuit zorgvuldigheid gedaan zodat daarmee het marktbeeld over de tijd heen duidelijk wordt. Op basis hiervan zijn in de hertaxatie geactualiseerde waarderingen tot stand gekomen, aldus de raad. Daarnaast stelt de raad dat in de hertaxatie de complexwaarde weer op € 45,00 per m2 is vastgesteld. Naar het oordeel van de taxateurs is er voldoende ondersteunend marktbewijs voor de vastgestelde waarde. In paragraaf 6.6 van de hertaxatie staat uiteengezet welke uitgangspunten zijn meegenomen voor de bepaling van de complexwaarde.
10.2.  Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde niet in dat de raad in het hertaxatierapport van een onjuiste waarderingsgrondslag is uitgegaan. [appellante sub 3], [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde complexwaarde te laag zou zijn. De enkele niet onderbouwde stelling dat de waarde is gestegen, is geen reden om aan te nemen dat het uitgangspunt van de raad onjuist zou zijn. Gelet hierop bestaan onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het taxatierapport in zoverre niet berust op een actuele en realistische taxatie van de complexwaarde van de gronden in het exploitatieplangebied.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroepen exploitatieplan herstelbesluit
11.     De beroepen van [appellante sub 3], [appellante sub 1], [appellant sub 5] en [appellant sub 4] tegen het in het herstelbesluit vastgestelde exploitatieplan zijn, gelet op het voorgaande, ongegrond.
BESTEMMINGSPLAN
Toetsingskader
12.     Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepen [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5]
Maximale invulling plan en insluiten percelen
13.     [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] voeren - kort samengevat - aan dat weliswaar de hoofdontsluiting op de gronden van het plangebied in de verbeelding van het herstelplan is vastgelegd, maar dat gelet op het globale karakter van het plan geen rekening is gehouden met de maximale planologische invulling daarvan.
Zo is er bij de berekening van de verkeersgeneratie geen rekening gehouden met de omstandigheid dat aan huis verbonden beroepen mogelijk worden gemaakt. Ook is niet onderzocht of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd voor aan huis verbonden beroepen. Verder voeren [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] aan dat de raad geen rekening heeft gehouden met andere wegen binnen het plangebied, die zullen worden ontsloten op de hoofdontsluiting. Gelet hierop is in de geluidsberekeningen geen rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden.
Verder voeren [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] aan dat de raad hun belangen onvoldoende heeft onderkend en meegewogen in de besluitvorming nu hun woningen volledig worden ingesloten op basis van de globale inrichting van het voorziene plan. Zij verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2021:45, waaruit volgens hen volgt dat het bevoegd gezag onvoldoende had gemotiveerd waarom een deel van een perceel niet was meegenomen in de plannen. In dat kader voeren zij aan dat de raad had moeten onderzoeken of de situatie op hun percelen, door het op deze wijze beperkt te bestemmen, voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.
13.1.  Artikel 1.6 van de planregels luidt: "aan huis verbonden beroepen: het in een woning met bijbehorende gebouwen beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerp-technisch of hiermee gelijk te stellen gebied, zulks met behoud van de woonfunctie van de betreffende woning (zie Bijlage 1 Aan huis verbonden beroepen en bedrijven)."
Artikel 6.2.1, aanhef en onder g, van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:
[…]
g. de minimum afstand tot de zijdelingse perceelgrens bedraagt bij vrijstaande woningen 2,5 m. Bij geschakelde, halfvrijstaande en aaneengebouwde woningen bedraagt de minimum afstand tot de zijdelingse perceelgrens aan de niet aaneengebouwde zijde 1 m."
Artikel 6.4.4 van de planregels luidt:
"Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:
[…]
b.  van gronden en bouwwerken voor uitoefening van een aan huis verbonden beroep indien de uitoefening van het aan huis verbonden beroep meer bedraagt dan 30 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw;
[…]"
Artikel 12.2, onder a, van de planregels luidt:
"a.  Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het planologisch uitbreiden of het planologisch wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt slechts verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning."
- Aan huis verbonden beroepen
13.2.  De raad stelt in zijn verweerschrift dat de parkeernormen uit de Parkeernota Zaltbommel 2018 rekening houden met aan huis verbonden beroepen.
13.3.  In artikel 12.2, onder a, van de planregels staat dat onder meer een omgevingsvergunning voor bouwen slechts wordt verleend, indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de door burgemeester en wethouders vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning. Op dit moment is dat beleid de Parkeernota Zaltbommel 2018. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat deze parkeernormen uitgaan van het normale gebruik van een woning en dat de beperkte extra parkeervraag van aan huis verbonden beroepen valt onder de parkeervraag van bezoekers. Voor woningen geldt standaard dat 0,3 parkeerplaats per woning bedoeld is voor de bezoeker, zo staat in paragraaf 4 van de Parkeernota Zaltbommel 2018. [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de parkeervraag van aan huis verbonden beroepen uitstijgt boven die 0,3 parkeerplaats. Bovendien is niet gebleken dat binnen het plangebied onvoldoende ruimte is om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
13.4.  Wat betreft de verkeersgeneratie van aan huis verbonden beroepen, stelt de raad in zijn verweerschrift dat die verkeersgeneratie niet in relevante mate onderscheidend is van de verkeersgeneratie van regulier woongebruik en dat hier in het verkeersonderzoek van Goudappel (bijlage 16 bij de plantoelichting) voldoende rekening mee is gehouden. Daarbij stelt de raad dat op grond van artikel 6.4.4, aanhef en onder b, van de planregels de uitoefening van het aan huis verbonden beroep niet meer mag bedragen dan 30 m² van de vloeroppervlakte van het hoofdgebouw. Gelet op de beperkte omvang en de definitiebepaling van een aan huis verbonden beroep is de uitoefening ervan in overeenstemming met de bestemming "Wonen", ook omdat de woonbestemming in overwegende mate gehandhaafd blijft. Gelet hierop stelt de raad zich op het standpunt dat in het verkeersonderzoek voldoende rekening is gehouden met de uitoefening van aan huis verbonden beroepen en dus in zoverre dus ook met de maximale planologische invulling.
De Afdeling is van oordeel dat [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] niet voldoende hebben betwist dat dat standpunt onjuist is.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
- Interne wegen
13.5.  De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding van het herstelplan op de gronden van het plangebied met de functieaanduiding "ontsluiting" is aangegeven waar de hoofdontsluiting van de voorziene wijk zal zijn gesitueerd. Op de zitting is gebleken dat het betoog van [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] ziet op de interne wegenstructuur binnen het plangebied. Volgens hen laat het plan rondom de woonlocaties toe dat er meer verkeersbewegingen zijn.
De raad heeft een akoestisch onderzoek laten uitvoeren door Antea Group (bijlage 6 bij de plantoelichting). De raad stelt dat in het akoestisch onderzoek ook is ingegaan op geluid vanuit interne wegen op de bestaande woningen van [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5]. De in het akoestisch onderzoek geprojecteerde interne wegen zijn qua ligging al het worst-case scenario wat redelijkerwijs planologisch mogelijk wordt gemaakt. De raad stelt dat gelet hierop de relevante hinderbron voldoende is vastgelegd en dat het akoestisch onderzoek daarop is toegespitst.
De Afdeling ziet in hetgeen door [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor de veronderstelling dat de geluidsgevolgen in relevante mate afwijken van wat is onderzocht in het akoestisch onderzoek.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- Insluiten bebouwing
13.6.  Voor zover [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] erop wijzen dat hun woningen ten onrechte volledig worden ingesloten op basis van de globale inrichting van het voorziene plan, overweegt de Afdeling als volgt. De raad stelt in zijn verweerschrift dat er geen sprake is van een onaanvaardbare situatie. Zo stelt de raad dat de woningen van [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] binnen het plangebied tezamen met nieuw te ontwikkelen woningen de rand van de voorziene woonwijk vormen. Binnen een woongebied is het niet ongebruikelijk dat er percelen ingesloten zijn door functies die passen bij een woongebied. Daarbij kan gedacht worden aan andere woonpercelen, parkeerhavens, wegen, speeltuinen en groenvoorzieningen. De inrichting van een gebied waarbij woningen op korte afstand van elkaar zijn gelegen en waarbij er sprake is van een hoge bebouwingsdichtheid is derhalve passend bij de aard van de nieuwe functie van het gebied te weten een woongebied. Daarbij geldt dat er geen recht op vrij uitzicht bestaat. Dat het uitzicht van sommige appellanten vanaf hun woonperceel wordt beperkt betekent dan ook niet dat er geen sprake kan zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wijst de raad ook op artikel 6.2.1, aanhef en onder g, van de planregels waaruit volgt dat de voorziene woningen niet tegen de woningen van appellanten worden aangebouwd, omdat er een minimale afstand tot de perceelgrens moet worden aangehouden. Hierdoor verandert het karakter van de woningen van [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] als vrijstaande woning niet, aldus de raad.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde niet in dat de raad niet mocht uitgaan van de bestaande omvang van de woonpercelen van [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en dus niet dat er sprake is van een onaanvaardbare insluiting van hun woonpercelen. Voor zover [appellante sub 1], [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] in dit kader nog wijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2021:45, ziet de Afdeling niet dat dit haar oordeel anders maakt. De genoemde uitspraak ziet niet op een vergelijkbare situatie. In die zaak waren namelijk niet alle betrokken percelen meegenomen in het desbetreffende plangebied. In dit geval is hier wel sprake van.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Wegbestemmen bedrijf [appellante sub 1]
14.     [appellante sub 1] voert aan dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen. Zij wijst erop dat zij een hortensiakwekerij exploiteert in het plangebied en in beginsel niet voornemens is om deze activiteit te beëindigen. In verband met de voorziene ontwikkeling zal zij wel moeten wijken. Een vervangende locatie van deze omvang is nagenoeg niet te vinden in de gemeente waardoor [appellante sub 1] stelt dat zij voor het blok wordt gezet, omdat zij geen kant op kan. De gesprekken die met de gemeente zijn gevoerd leiden tot op heden niet tot enig perspectief.
14.1.  Voor zover [appellante sub 1] aanvoert dat onvoldoende rekening is gehouden met haar belangen, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van woningbouw een zwaarder gewicht toekomt dan aan de belangen van [appellante sub 1]. De Afdeling ziet in wat [appellante sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding om de door de raad gemaakte afweging ontoereikend te achten, waarbij de Afdeling in aanmerking neemt dat de raad op de zitting heeft toegelicht dat de aankoopgesprekken over de gronden van [appellante sub 1] inmiddels zijn gestart. Indien onverhoopt geen overeenstemming wordt bereikt over de minnelijke verwerving van de betrokken gronden van [appellante sub 1], zal zo nodig het instrument van onteigening worden ingezet. Dat zal leiden tot een schadeloosstelling voor [appellante sub 1]. Onder deze omstandigheden en met het oog op het zware gewicht dat de raad mocht hechten aan het belang bij de voorziene woningbouw, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat met het belang van [appellante sub 1] onvoldoende rekening is gehouden.
Het betoog slaagt niet.
Voorwaardelijke verplichting [appellante sub 1]
15.     [appellante sub 1] stelt verder dat een voorwaardelijke verplichting had moeten worden opgenomen dat de voorziene woningen aan de overzijde van de Groenesteeg, die behoren tot fase 1 van de uitvoering van het plan, pas kunnen worden bewoond als haar bedrijf volledig is verdwenen. Zij wijst erop dat in het exploitatieplan de gronden waarop haar bedrijf is gesitueerd, pas in fase 4 worden ontwikkeld. Dat betekent dat de raad de gronden niet direct nodig heeft en het bedrijf dus nog geruime tijd gevestigd kan blijven op de locatie. Dat betekent ook dat in het kader van de planvorming rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van het bedrijf en de effecten van dit bedrijf voor het naastgelegen woongebied, aldus [appellante sub 1].
15.1.  Op de zitting stelt de raad dat het de bedoeling is dat de voorziene woningen in fase 1 wel kunnen worden gebouwd, maar dat die nog niet worden bewoond zolang het bedrijf van [appellante sub 1] niet weg is. De Afdeling stelt vast dat de raad dit niet heeft geborgd in de planregels. Op de zitting stelt de raad dat hij dit wel heeft willen borgen. De raad heeft het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb onzorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt.
Het beroep van [appellante sub 2]
Verkeer
16.     [appellante sub 2] voert aan dat de raad niet heeft onderzocht hoe het zit met de verkeersveiligheid in en rondom het plangebied. [appellante sub 2] wijst erop dat haar bedrijf zwaar verkeer aantrekt en dat de verkeersveiligheid nu al in het geding is, omdat ook fietsers en voetgangers gebruik moeten maken van de weg waar het vrachtverkeer gebruik van maakt. [appellante sub 2] verwacht dat de hoeveelheid verkeer, met name het vrachtverkeer, in de toekomst zal toenemen, zeker als haar bedrijf zoals vergund verder wordt uitgebreid. In dat kader heeft zij de contra-expertise "Verkeersaspecten Bestemmingsplan Brakel-West" van 10 oktober 2024 van De Baan Verkeersadvies B.V. (hierna: de contra-expertise verkeer) overgelegd. Hieruit volgt dat niet inzichtelijk is gemaakt wat voor effecten grote voertuigen hebben op de Engsteeg en de Weitjesweg. De smalle wegen vormen een risico voor de verkeersveiligheid.
16.1.  Op de verbeelding van het herstelplan is te zien dat het plangebied onder meer wordt ontsloten op de Engsteeg. De Engsteeg loopt vervolgens over in de Weitjesweg. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het betoog ziet op de verkeerssituatie op de Engsteeg en de Weitjesweg. De Afdeling stelt vast dat deze wegen buiten het plangebied zijn gesitueerd. Uit het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat in de huidige situatie deze wegen smal zijn en dat daar ook nu al vrachtwagens elkaar moeten passeren. Uit de stukken blijkt dat vanwege de voorziene ontwikkeling er extra auto’s, waaronder vooral personenauto’s zullen gaan rijden op de Engsteeg en de Weitjesweg en de raad er daarom voor heeft gekozen om deze wegen aan te passen.
De Afdeling wijst erop dat een bestemmingsplan niet hoeft te bepalen hoe een weg (verkeerstechnisch) wordt ingericht. Dat aspect betreft de uitvoering van het plan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:654, ro. 12.3). In deze procedure is alleen aan de orde de vraag of een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om de voorziene woonwijk kan worden gerealiseerd.
16.2.  Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat er geen discussie meer is over het aantal verkeersbewegingen van het bedrijf van [appellante sub 2]. Op de zitting heeft [appellante sub 2] toegelicht dat haar betoog is toegespitst op het bezwaar dat de verbeteringen aan de ontsluitingswegen, die de raad heeft voorgenomen, ontoereikend zijn.
16.3.  De raad heeft een verkeersonderzoek laten uitvoeren door Goudappel (bijlage 3 bij de plantoelichting). In het verkeersonderzoek wordt geconcludeerd dat de voorziene ontwikkeling zorgt voor een toename van het aantal motorvoertuigen op de omliggende wegen en dat er maatregelen nodig zijn om de verkeerstoename op deze wegen op te vangen. Een groot deel van de wegen rondom het plangebied heeft nu een maximale toegestane snelheid van 80 km per uur. Een inrichting als erftoegangsweg met een maximale snelheid van 30 km per uur past goed bij het karakter en het aantal motorvoertuigen per etmaal op de Weitjesweg, de Engsteeg, de Groenesteeg, de Appelweg en de Molensteeg, zo staat in het verkeersonderzoek. Verder staat in het verkeersonderzoek dat de Weitjesweg in de toekomst het meeste verkeer te verwerken krijgt waaronder ook vrachtvoertuigen. Daarom wordt geadviseerd om de weg in te richten als erftoegangsweg zonder aparte fietsvoorzieningen met een rijbaanbreedte van 5,8 m. Verder is het advies om de weg te voorzien van klinkerbestrating en bij voorkeur op elke 75 m tot 100 m een snelheidsremmer. Net als op de Weitjesweg is op de Groenesteeg, de Engsteeg en de Appelweg een rijbaan met klinkerverharding zonder aparte fietsvoorzieningen gewenst. Op deze wegen rijdt echter een beperkte hoeveelheid vrachtverkeer. De kans dat daar twee vrachtvoertuigen elkaar moeten passeren is klein. Daarom is voor deze wegen een wegprofiel van een reguliere erftoegangsweg met een rijbaanbreedte van 4,8 m voldoende, zo staat in het verkeersonderzoek.
16.4.  De raad heeft vervolgens Goudappel gevraagd te reageren op de contra-expertise verkeer (hierna: reactie Goudappel van 4 augustus 2025). In de reactie Goudappel van 4 augustus 2025 wordt geconcludeerd dat de geadviseerde wegprofielen goed afgewogen zijn, omdat de toepassing van bredere profielen juist tot extra veiligheidsrisico's zou leiden. Daarnaast staat er dat elkaar passerende vrachtauto's goed rekening met elkaar zullen moeten houden en de snelheid moeten aanpassen, maar dat de verkeerssituatie juist verbetert ten opzichte van de huidige situatie. De kans dat twee vrachtvoertuigen elkaar moeten passeren is klein. In dergelijke gevallen is het veiliger om uit te gaan van het minimale profiel voor erftoegangswegen conform de richtlijnen van het CROW. Een smaller profiel zorgt namelijk voor een lagere gemiddelde snelheid en daarmee een verkeersveiligere situatie.
16.5.  Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling op voorhand geen aanleiding dat de maatregelen onvoldoende soelaas bieden. Hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd geeft gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat verwezenlijking van het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder dan wel verkeeronveilige situaties buiten het plangebied.
Het betoog slaagt niet.
Geluid
17.     [appellante sub 2] voert aan dat door de voorziene woningen op korte afstand van haar bedrijf er sprake is van een onaanvaardbare beperking in haar bedrijfsvoering en bij toekomstige uitbreiding van haar bedrijf. Volgens [appellante sub 2] kan niet worden voldaan aan de geldende grens- en richtwaarden. Zij wijst er in dit kader op dat met name het laden en lossen bij haar bedrijf en de koelmotoren van haar bedrijf zullen zorgen voor een forse geluidsbelasting op de voorziene woningen.
In een nader stuk legt [appellante sub 2] de contra-expertise "Second opinion akoestisch onderzoek industrielawaai Brakel-West" van 29 oktober 2024 van ing. E.H.A. de Beer (hierna: de contra-expertise geluid) over. Volgens deze contra-expertise zijn de geluidsmetingen op onjuiste manieren uitgevoerd, waardoor de geluidniveaus die optreden door de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] onderschat zijn. [appellante sub 2] wijst op een aantal uitgangspunten waar volgens haar ten onrechte geen rekening mee is gehouden.
17.1.  De Afdeling stelt vast dat het betoog over de knelpunten op het punt van geluidhinder zich toespitst op het zuidwestelijke deel van het bedrijfsterrein van [appellante sub 2] en het noordwestelijke deel van de gronden van het plangebied.
De raad heeft een akoestisch onderzoek industrielawaai laten uitvoeren door De Roever (bijlage 11 bij de plantoelichting). In het akoestisch onderzoek industrielawaai wordt geconcludeerd dat niet overal aan de richt- en grenswaarden voor de maximale geluidsniveaus uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering kan worden voldaan. Het is dan ook niet volledig uit te sluiten dat de beoogde woningbouw een belemmering vormt voor het bedrijf van [appellante sub 2] en er is niet per definitie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat binnen (een deel van) het plangebied. In het onderzoek wordt aangegeven op welke delen van de gronden van het plangebied er onder voorwaarden wel woningen kunnen worden gerealiseerd. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de raad het plan aangepast. In het noordwestelijke deel van het plangebied zijn voor een klein deel aan de bestemming "Woongebied" de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - dove gevel" en aan een ander deel naast de bestemming "Woongebied" de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - minimale geluidwering" toegekend.
17.2.  In het rapport Akoestisch onderzoek industrielawaai (aanvullingen) van 20 augustus 2025 heeft De Roever gereageerd op de contra-expertise geluid. De Roever heeft naar aanleiding van de aangevoerde kritiekpunten uit de contra-expertise een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd. De conclusie van het nieuwe akoestisch onderzoek van De Roever luidt dat de aangepaste worstcase-uitgangspunten geen invloed hebben op de conclusies ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de indirecte hinder, maar wel ten aanzien van de conclusies over het maximale geluidsniveau. Daarbij is vooral de te hanteren bronsterkte van de heftrucks op het buitenterrein van belang. Op basis van de door de raad opgenomen bouwaanduidingen, zoals genoemd onder 17.1, kan niet volledig worden uitgesloten dat de voorziene woningbouw een mogelijke belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van het bedrijf van [appellante sub 2]. Of hiervan daadwerkelijk sprake zal zijn, is mede afhankelijk van het stedenbouwkundig plan, dat op dit moment nog niet beschikbaar is, zo staat in het rapport.
17.3.  De raad stelt in zijn verweerschrift dat ondanks dat niet overal wordt voldaan aan de maximale geluidniveaus, de bouwaanduidingen in het noordwesten van het plangebied niet hoeven worden aangepast. Volgens hem is voldoende geborgd dat het bedrijf van [appellante sub 2] niet in de bedrijfsvoering wordt belemmerd door de voorziene woningen en dat bij de voorziene woningen er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De raad stelt dat indien wordt uitgegaan van het worstcasescenario de bouwaanduidingen mogelijk iets meer zouden moeten worden uitgebreid. Voor een deel van de woningen in het plan zou dit kunnen betekenen dat aanvullende voorzieningen nodig zouden kunnen zijn. In een later stadium kan worden bepaald of en zo ja welke aanvullende voorzieningen, bijvoorbeeld dove gevels, exact nodig zijn, aldus de raad.
17.4.  De Afdeling is van oordeel dat de raad bij het vaststellen van het herstelbesluit onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de bedrijfsvoering van [appellante sub 2] op het noordwestelijke deel van het plangebied. Duidelijk is geworden dat bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het bedrijfsterrein van [appellante sub 2] het niet is uitgesloten dat in het noordwestelijke deel van het plangebied woningen worden gerealiseerd, die geluidsoverlast zullen ervaren als gevolg van het bedrijf van [appellante sub 2]. Deze woningen zullen ook zorgen voor een belemmering voor het bedrijf van [appellante sub 2]. De raad had hier bij de vaststelling van het plan al rekening mee moeten houden. De raad heeft daarom het plan in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb onzorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt.
Lichthinder
18.     [appellante sub 2] voert aan dat de raad onvoldoende heeft onderzocht of haar bedrijf lichthinder veroorzaakt voor de voorziene woningen en in hoeverre dat onaanvaardbaar is.
18.1.  De raad stelt in zijn verweerschrift dat de vrees van [appellante sub 2] dat de komst van de voorziene woningen zal leiden tot een toename van klachten over lichthinder en daarmee tot beperkingen in de bedrijfsvoering onvoldoende onderbouwd is. De raad wijst erop dat de assimilatieverlichting van het bedrijf moet voldoen aan de algemene regels voor assimilatieverlichting. Bij naleving van deze algemene regels mag in beginsel worden aangenomen dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in zoverre geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de voorziene woningen.
Het betoog slaagt niet.
Windturbine
19.     [appellante sub 2] voert aan dat onduidelijk is of er in de toekomst een windturbine kan worden gerealiseerd op haar perceel.
19.1.  De Afdeling stelt vast dat op grond van het planologische regime dat van toepassing is op het perceel van [appellante sub 2] het mogelijk is om bij het glastuinbedrijf behorende duurzame (energie)voorzieningen, waaronder dus een windturbine, te realiseren.
19.2.  Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat er door de nabijheid van nieuwe woningen mogelijk wel beperkingen zullen gaan optreden voor de keuze van de precieze locatie voor een mogelijke windturbine op de gronden van [appellante sub 2]. [appellante sub 2] heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van het nieuwe plan op haar gronden helemaal geen windturbine meer gerealiseerd kan worden. De Afdeling ziet gelet hierop niet in dat de beperkingen zodanig zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie beroepen herstelbesluit
20.     Gelet op het vorenstaande zijn de beroepen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] tegen het herstelbesluit ongegrond.
21.     Gelet op wat hiervoor onder 15.1 en 17.4 is overwogen, is de conclusie dat de raad het herstelbesluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb heeft genomen. In de einduitspraak zal worden beslist wat dit betekent voor de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] tegen het herstelbesluit.
Bestuurlijke lus
22.     De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in de overwegingen 15.1 en 17.4 geconstateerde gebreken in het besluit van 23 januari 2025 te herstellen. De raad dient daartoe:
- met inachtneming van overweging 15.1 alsnog in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen op grond waarvan de voorziene woningen in fase 1 pas mogen worden bewoond als de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] is beëindigd op de huidige locatie;
- met inachtneming van overweging 17.4 de planregels en/of de verbeelding zo te wijzigen, dat op de gronden in het noordwestelijke deel van het plangebied een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen wordt gewaarborgd, rekening houdend met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden op het bedrijfsterrein van [appellante sub 2].
De raad dient de Afdeling en [appellante sub 1] en [appellante sub 2] de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. Wel gaat de Afdeling ervan uit dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in staat worden gesteld om voorafgaand aan het nieuw te nemen besluit te reageren op het door de raad voorgenomen herstel.
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
BESLUIT VAN 4 JULI 2024
[appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5]
23.     Zoals onder 7 is overwogen, is het besluit van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel West", bij het herstelbesluit van 23 januari 2025 vervangen. Omdat dit herstelbesluit het plan en het exploitatieplan vervangt, leidt dit ertoe dat het plan geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet is gebleken van enig belang, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroepen tegen het besluit van 4 juli 2024. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] tegen het besluit van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel West" niet-ontvankelijk. Daarbij merkt de Afdeling op dat [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen belang hebben bij de onderdelen van het herstelbesluit waarvoor de Afdeling voor de appellanten [appellante sub 1] en [appellante sub 2] een bestuurlijke lus toepast. Om die reden is voor hen deze uitspraak een einduitspraak.
[appellante sub 1] en [appellante sub 2]
24.     Voor [appellante sub 1] en [appellante sub 2] is deze uitspraak een tussenuitspraak. Dit betekent dat in de einduitspraak zal worden beslist op de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] tegen het besluit van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel West".
PROCESKOSTEN
25.     De Afdeling stelt vast dat de raad in zijn verweerschrift heeft erkend dat hij in het herstelplan naar aanleiding van de ingediende beroepen van onder meer [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wijzigingen heeft doorgevoerd waarmee is beoogd om deels aan deze beroepen tegemoet te komen. Onder omstandigheden kan dit aanleiding geven om de raad te veroordelen tot vergoeding van de bij [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] opgekomen proceskosten. Dat is hier ook aan de orde. De Afdeling ziet wel aanleiding de beroepen van [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] aan te merken als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Hierbij betrekt de Afdeling dat de beroepschriften van deze appellanten grotendeels gelijkluidend zijn, en appellanten op de zitting zijn bijgestaan door dezelfde rechtsbijstandsverlener.
26.     Ten aanzien van de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Einduitspraak
I.        verklaart de beroepen van [appellante sub 3],
[appellant sub 4] en [appellant sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Zaltbommel van 4 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel West" niet-ontvankelijk;
II.       verklaart de beroepen van [appellante sub 3],
[appellant sub 4] en [appellant sub 5] tegen het besluit van de raad van de gemeente Zaltbommel van 23 januari 2025 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Brakel West" en het exploitatieplan "Brakel West" ongegrond;
III.      veroordeelt de raad van de gemeente Zaltbommel aan [appellante sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] te betalen een gezamenlijke vergoeding van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
IV.      gelast dat de raad van de gemeente Zaltbommel aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:
a. € 371,00 voor [appellante sub 3];
b. € 187,00 voor [appellant sub 4];
c. € 187,00 voor [appellant sub 5].
Tussenuitspraak
V.       draagt de raad van de gemeente Zaltbommel naar aanleiding van de beroepen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak:
- de onder 15.1 en 17.4 genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen over deze gebreken in deze uitspraak is overwogen, en
- de Afdeling en [appellante sub 1] en [appellante sub 2] de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Ewijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
867