202600035/1/A2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van Hogeschool Inholland (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 14 juli 2025 heeft de directeur van het domein Business, Finance & Law een negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven.
Bij beslissing van 8 september 2025 heeft het CBE het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 maart 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. de Graaf, advocaat in Amsterdam, en het CBE, vertegenwoordigt door mr. S. van Bekkum en B.M. Stuifbergen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is in het studiejaar 2022-2023 begonnen met de voltijds opleiding Bachelor Finance & Control aan Hogeschool Inholland. Omdat zij niet voldeed aan de norm voor het bindend studieadvies voor het eerste jaar van 50 studiepunten (EC’s) en persoonlijke omstandigheden hiervan de oorzaak waren, heeft [appellante] op 17 juli 2023 uitstel gekregen met de termijnstelling dat zij vóór 31 juli 2024 het volledige eerstejaarsprogramma van 60 EC’s moest hebben afgerond. Aan het einde van het studiejaar 2023-2024 had zij 37 EC’s behaald. Daarmee voldeed zij niet aan de termijnstelling. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden heeft zij op 29 augustus 2024 opnieuw uitstel gekregen met de termijnstelling dat zij vóór 31 juli 2025 de 60 EC’s van het eerste jaar moest hebben behaald. In het studiejaar 2024-2025 heeft [appellante] 13 EC’s behaald. Daarmee heeft zij in totaal 50 EC’s van het eerstejaarsprogramma behaald en niet voldaan aan de tweede termijnstelling.
2. Het geschil gaat over het na de tweede termijnstelling nog resterende vak OE3a van 10 EC’s uit het eerstejaarsprogramma. In studiejaar 2022-2023 heeft [appellante] de twee reguliere kansen voor dit vak niet kunnen benutten omdat zij uit de projectgroep is gezet via een rode kaart procedure. Als vervangende opdracht mocht zij toen individueel een bestuursverslag inleveren. Op 14 juli 2023 heeft zij het bestuursverslag per e-mail bij de docent ingeleverd. Dit is toen onbedoeld blijven liggen. Na het hoorgesprek van 11 juli 2024 is het bestuursverslag alsnog nagekeken en met een onvoldoende beoordeeld.
De beslissingen van de directeur en het CBE
3. De directeur heeft aan haar beslissing over het NBSA als reden ten grondslag gelegd dat uit de studieresultaten blijkt dat [appellante] het eerstejaarsprogramma na drie studiejaren niet heeft kunnen afronden. De directeur heeft advies gevraagd aan de studentendecaan over de door [appellante] genoemde persoonlijke omstandigheden en op grond daarvan geconcludeerd dat die daarvoor onvoldoende doorslaggevend zijn. Verder heeft de directeur geconcludeerd dat de resultaten van het onderwijs en de toetsen van het programma na het eerste jaar niet tot een andere conclusie leiden. In het verweer in administratief beroep is onder meer nader toegelicht dat het een fout is van de opleiding dat het ingeleverde bestuursverslag niet is opgepakt door de docent, maar dat dit niet afdoet aan het NBSA. Daarbij is onder meer betrokken dat [appellante] pas een week voor het hoorgesprek van 11 juli 2024 contact heeft opgenomen met de opleiding over het uitblijven van de beoordeling van het bestuursverslag en dat de reden daarvoor was dat zij bezig was met vakken uit het tweede jaar. Het bestuursverslag is na dit hoorgesprek alsnog nagekeken en met een onvoldoende beoordeeld. Verder is onder meer betrokken dat [appellante] in de studiejaren 2023-2024 en 2024-2025 een leercoach heeft gehad en zij geen studiepunten in het tweede jaar heeft behaald.
4. Het CBE heeft geoordeeld dat de directeur [appellante] een NBSA heeft mogen geven. Het CBE heeft daaraan onder meer ten grondslag gelegd dat [appellante] de BSA-norm niet heeft behaald binnen de tweede termijnstelling van 31 juli 2025. Daarbij heeft het CBE betrokken dat [appellante] vanuit de opleiding brieven heeft ontvangen hoe te handelen bij persoonlijke omstandigheden, maar dat zij in het studiejaar 2024-2025 geen persoonlijke omstandigheden heeft gemeld bij het decanaat. Het CBE heeft vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat de directeur incorrect heeft gehandeld bij het NBSA en dat [appellante] niet heeft voldaan aan de gestelde studievereisten.
Beoordeling van het beroep
5. Wat [appellante] in beroep heeft aangevoerd en op de zitting heeft toegelicht slaagt niet. Het CBE heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de directeur [appellante] een NBSA heeft mogen geven. De motivering daarvan is naar het oordeel van de Afdeling toereikend. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de belangrijkste reden voor het geven van het NBSA is dat [appellante], zoals het CBE op de zitting nog een keer heeft toegelicht, in drie studiejaren en met twee termijnstellingen de vereiste EC’s van het eerste jaar niet heeft behaald. Ook heeft zij geen administratief beroep ingesteld tegen zowel het cijfer voor de vervangende opdracht (onvoldoende) als de afwijzing van haar verzoek om een extra kans.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
154-972