Art. 8 EVRMArt. 41, eerste lid, Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-TurkijeArtikel 8:54, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en weigering onbepaalde tijd na beëindiging zelfstandige arbeid
De zaak betreft de intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en de weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd aan betrokkene, een Turkse onderdaan, omdat hij sinds 1 maart 2018 geen zelfstandige arbeid meer verrichtte.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de minister stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelt dat betrokkene niet meer onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije valt, omdat hij geen reële en daadwerkelijke zelfstandige arbeid meer verricht en ook geen nieuwe aanvraag heeft ingediend.
Verder weegt de Raad de belangenafweging van het privéleven van betrokkene tegen het restrictieve toelatingsbeleid van de Nederlandse Staat. Hoewel betrokkene al meer dan dertig jaar in Nederland verblijft, is dit niet onafgebroken en is zijn integratie beperkt. De minister heeft de belangenafweging terecht in zijn nadeel laten uitvallen.
De Raad verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond, waarmee de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt bevestigd en het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
202503468/1/V1.
Datum uitspraak: 23 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2025 in zaak nr. NL23.22019 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken en geweigerd om betrokkene een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 21 juli 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.K. Matpanözer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft de verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ van betrokkene, met de Turkse nationaliteit, met terugwerkende kracht ingetrokken tot aan 1 maart 2018. Niet ter discussie staat dat betrokkene sinds die datum geen arbeid als zelfstandige meer heeft verricht en hij daarom niet meer voldoet aan de voorwaarden van die vergunning. In hoger beroep gaat het alleen over de vraag of betrokkene valt onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (het AP) en, als dat het geval is, of de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken.
Toepassingsbereik AP
2. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat betrokkene tot aan de intrekking van zijn verblijfsvergunning onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het AP viel. Hij verwijst hiervoor naar het arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 2014, Dogan, ECLI:EU:C:2014:2066, punt 28, en de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2356, onder 1.1. Uit die rechtspraak volgt dat artikel 41, eerste lid, van het AP alleen betrekking kan hebben op de vereisten van toegang en verblijf van Turkse onderdanen op het grondgebied van de lidstaten voor zover de toegang en het verblijf het logische uitvloeisel vormen van de uitoefening van een economische activiteit in het kader van de vrijheid van vestiging of in het kader van de vrijheid van dienstverrichting.
Vast staat dat betrokkene sinds 1 maart 2018 geen daadwerkelijke arbeid als zelfstandige meer heeft verricht. Verder wijst de minister er terecht op dat betrokkene sindsdien geen nieuwe aanvraag heeft ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige en hij ook niet om verlenging van de geldigheidsduur van zijn verblijfsvergunning heeft gevraagd, terwijl die liep tot 7 mei 2022. De minister betoogt daarom terecht dat betrokkene geen geslaagd beroep op artikel 41, eerste lid, van het AP kan doen, omdat hij geen reële en daadwerkelijke arbeid als zelfstandige meer verricht en hij ook niet van plan was om arbeid als zelfstandige te gaan verrichten. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 27 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5723, onder 4.1. Het in het verleden in het bezit zijn geweest van een verblijfsvergunning en het in het verleden hebben verricht van arbeid als zelfstandige is onvoldoende om te vallen onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het AP. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De eerste grief slaagt.
3. Omdat betrokkene op het moment van de intrekking niet meer viel onder het toepassingsbereik van artikel 41, eerste lid, van het AP, behoeft wat de minister in zijn tweede grief aanvoert over de vraag of hij de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht mocht intrekken, geen bespreking.
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Privéleven
5. In beroep heeft betrokkene betoogd dat de minister de belangenafweging voor het privéleven bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM ten onrechte in het nadeel van betrokkene heeft laten uitvallen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij al meer dan dertig jaar in Nederland verblijft, heeft betrokkene meerdere stukken overgelegd.
5.1. De Afdeling is van oordeel dat de minister de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van betrokkene heeft laten uitvallen. De minister heeft aangenomen dat betrokkene gedurende zijn verblijf in Nederland privéleven heeft opgebouwd, maar dat de intrekking van de verblijfsvergunning geen schending van het recht op uitoefening van dat privéleven inhoudt. De minister vindt alles bij elkaar genomen dat het belang van betrokkene bij voortzetting van het privéleven niet opweegt tegen het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid. De minister heeft bij de belangenafweging in het voordeel van betrokkene meegewogen dat hij drie jaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, maar dat dit een relatief korte periode is geweest, waardoor het gewicht hiervan beperkt is. Verder heeft de minister er terecht op gewezen (a) dat uit de stukken die betrokkene heeft overgelegd niet valt af te leiden dat hij dertig jaar onafgebroken in Nederland heeft verbleven en (b) dat de stukken geen onderbouwing bevatten van de invulling van zijn privéleven in Nederland.
De minister heeft verder in het nadeel van betrokkene betrokken dat hij de Nederlandse taal nauwelijks machtig is, een groot deel van zijn leven in Turkije heeft gewoond en bekend is met de Turkse taal, gebruiken en cultuur. De minister heeft in het voordeel van betrokkene meegewogen dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft. Dat betrokkene in beroep heeft aangevoerd dat hij wil werken en nog nooit een beroep heeft gedaan op een bijstandsuitkering, maakt nog niet dat de minister de belangenafweging in het voordeel van betrokkene had moeten laten uitvallen. Betrokkene heeft bijvoorbeeld niet met stukken onderbouwd dat hij kans maakt op werk of dat hij op zoek is naar werk.
De beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent in dit geval dat de minister de verblijfsvergunning van betrokkene met terugwerkende kracht heeft mogen intrekken. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 mei 2025 in zaak nr. NL23.22019;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.