ECLI:NL:RVS:2026:1625
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring en toewijzing proceskosten in voorlopige voorziening
Op 18 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep opgevat als een verzoek om voorlopige voorziening, omdat de bewaring ambtshalve moet worden getoetst. De derde grief van verzoeker riep een belangrijke rechtsvraag op die nader onderzoek vereist. Gelet op artikel 5 EVRM Pro weegt het belang van verzoeker bij opheffing van de bewaring zwaarder dan het belang van de minister bij voortzetting.
Daarom heeft de voorzieningenrechter de bewaring met ingang van 20 maart 2026 opgeheven en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Uitkomst: De bewaring van verzoeker wordt opgeheven en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.