Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2026:1625

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.001338
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewaring en toewijzing proceskosten in voorlopige voorziening

Op 18 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in bewaring gesteld. Verzoeker stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Verzoeker ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De voorzieningenrechter heeft het hoger beroep opgevat als een verzoek om voorlopige voorziening, omdat de bewaring ambtshalve moet worden getoetst. De derde grief van verzoeker riep een belangrijke rechtsvraag op die nader onderzoek vereist. Gelet op artikel 5 EVRM Pro weegt het belang van verzoeker bij opheffing van de bewaring zwaarder dan het belang van de minister bij voortzetting.

Daarom heeft de voorzieningenrechter de bewaring met ingang van 20 maart 2026 opgeheven en de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 934,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.

Uitkomst: De bewaring van verzoeker wordt opgeheven en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

BRS.26.001338
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 10 maart 2026 in zaak nr. NL26.9323 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 10 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Omdat de rechter de bewaring ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
2.        De derde grief van verzoeker roept een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van Pro het EVRM komt aan het belang van verzoeker bij de opheffing van de maatregel op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.
3.        De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
II.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
846