ECLI:NL:RVS:2026:1614
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting in asielprocedure
Verzoekers hebben bij besluiten van 27 mei 2025 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen hebben verzoekers beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 10 maart 2026 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoekers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan bij de Raad van State en hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 23 maart 2026 besloten een voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat verzoekers niet worden uitgezet totdat op het hoger beroep is beslist. Tevens is de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoekers, die geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze beslissing is genomen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht en sluit aan bij eerdere jurisprudentie van de Raad van State. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier N.S. Koelman.
Uitkomst: Verzoekers mogen niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.