ECLI:NL:RVS:2026:1597

Raad van State

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
BRS.25.001643
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie in afwachting van Dublin-overdracht

De minister van Asiel en Migratie legde appellant op 19 september 2025 een vrijheidsontnemende maatregel op in de vorm van grensdetentie, in afwachting van een reactie van de Italiaanse autoriteiten op een Dublinclaim. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de grensdetentie onrechtmatig was omdat overdracht naar Italië niet mogelijk was en de EU-VIS en Eurodac systemen geen aanknopingspunten boden voor een andere lidstaat dan Italië als verantwoordelijke voor de asielaanvraag. Dit oordeel volgt uit een eerdere uitspraak van 17 maart 2026.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en kende appellant een schadevergoeding toe over de periode van 19 tot en met 26 september 2025. Omdat de grensdetentie inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, kent schadevergoeding toe en veroordeelt de minister tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

BRS.25.001643
Datum uitspraak: 20 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45860 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 19 september 2025 heeft de minister appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Appellant komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister hem in grensdetentie mocht plaatsen in afwachting van de reactie van de Italiaanse autoriteiten op een Dublinclaim. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1445, onder 5.1 tot en met 5.3, namelijk geoordeeld dat dit niet mag, zolang overdracht naar Italië niet mogelijk is en de systemen EU-VIS en Eurodac geen aanknopingspunten bieden dat een andere lidstaat dan Italië verantwoordelijk kan zijn voor de behandeling van de asielaanvraag. Ook in deze zaak boden deze systemen dergelijke aanknopingspunten niet. Daarom is de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig.
1.1.        De grief slaagt.
2.        Omdat de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.45860;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 800,00 over de periode van 19 september 2025 tot en met 26 september 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Kraak, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kraak
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026
1020