ECLI:NL:RVS:2026:1491

Raad van State

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
202505900/2/R1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • B.P.M. van Ravels
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 3.1 Aanvullingswet bodem OmgevingswetArt. 29 WbbArt. 37 WbbArt. 39 Wbb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen voorschrift financiële zekerheid deelsaneringsplan

Brickrock B.V. is eigenaar van een perceel aan de Meester Strikstraat 8 in Helmond waar sprake is van ernstige bodemverontreiniging door vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen. Het college van burgemeester en wethouders van Helmond heeft op 20 oktober 2025 ingestemd met een deelsaneringsplan voor de primaire bron van verontreiniging, waarbij het voorschrift is verbonden dat Brickrock binnen drie maanden financiële zekerheid moet stellen middels een bankgarantie van € 813.000.

Brickrock is het niet eens met dit voorschrift en heeft beroep ingesteld en tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om het voorschrift te schorsen totdat in de bodemzaak is beslist. De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 5 maart 2026.

De kern van het geschil is of het college bevoegd was om het voorschrift tot financiële zekerheid te verbinden aan de instemming met het deelsaneringsplan. Partijen verschillen van mening over de berekening van de kosten die na vijf jaar worden gerealiseerd, wat bepalend is voor de bevoegdheid. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze vraag niet in de voorlopige voorziening kan worden beantwoord en dat een belangenafweging moet plaatsvinden.

Brickrock stelt dat zij in financiële nood zal komen door het stellen van de bankgarantie, maar heeft dit niet onderbouwd. Het college heeft een zwaarwegend algemeen belang bij het voorschrift, namelijk het voorkomen dat saneringskosten uit publieke middelen moeten worden betaald. De voorzieningenrechter acht het belang van het college zwaarder dan dat van Brickrock en wijst het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het voorschrift tot het stellen van financiële zekerheid wordt afgewezen.

Uitspraak

202505900/2/R1.
Datum uitspraak: 17 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
Brickrock B.V., gevestigd in Helmond,
verzoekster,
en
het college van burgemeester en wethouders van Helmond,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college ingestemd met het door Brickrock ingediende deelsaneringsplan voor de locatie aan de Meester Strikstraat 8 in Helmond. Het college heeft aan dat besluit het voorschrift verbonden dat Brickrock financiële zekerheid moet stellen.
Tegen dit besluit heeft Brickrock beroep ingesteld.
Brickrock heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en Brickrock hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 5 maart 2026, waar Brickrock, vertegenwoordigd door mr. F. Bajrami, advocaat in Breda, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. M.G. Stienstra en M. Nass, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 3.1, eerste lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet blijft op gevallen van ernstige verontreiniging als bedoeld in de Wet bodembescherming (Wbb) of saneringen als bedoeld in de Wbb het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing, als vóór dat tijdstip een besluit is genomen dat spoedige sanering op grond van artikel 29 in Pro samenhang bezien met artikel 37 van Pro de Wbb noodzakelijk is, dan wel een (deel)saneringsplan als bedoeld in artikel 39 of Pro 40 van de Wbb is ingediend.
Het besluit dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, is genomen op 10 december 2013. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wbb, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Brickrock is eigenaar van het perceel aan de Meester Strikstraat 8. Op dat perceel was in het verleden een wasserij gevestigd waarbij verontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen in de grond en het grondwater is ontstaan. De verontreiniging bestaat uit de primaire bron op de plaats waar de wasserij gevestigd was, een secundaire bron bij de afwateringssloot die ten westen ligt van dat perceel, en een pluim die is ontstaan als gevolg van deze twee bronnen. Bij besluit van 10 december 2013 heeft het college vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige verontreiniging waarvan spoedige sanering noodzakelijk is. Bij besluit van 22 november 2022 is aan Brickrock een last onder dwangsom opgelegd om binnen 1 jaar na dagtekening van dat besluit te starten met de sanering volgens een saneringsplan waarmee het college overeenkomstig artikel 39 van Pro de Wbb heeft ingestemd. De begunstigingstermijn in dat besluit is vervolgens meerdere keren verlengd.
Bij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college ingestemd met het deelsaneringsplan van Brickrock dat betrekking heeft op de primaire bron van verontreiniging. Het college heeft aan die instemming het voorschrift verbonden dat Brickrock na drie maanden na de verzenddatum van dat besluit financiële zekerheid moet stellen middels een bankgarantie voor een bedrag van € 813.000,00.
Brickrock is het niet eens met dit voorschrift en heeft daarom beroep ingesteld tegen dat besluit. Daarnaast heeft Brickrock de voorzieningenrechter verzocht om het hierboven besproken voorschrift te schorsen totdat er een uitspraak is gedaan in de bodemzaak.
Beoordeling van het verzoek
3.       Op grond van artikel 39f, eerste lid, van de Wbb in samenhang gelezen met artikel 39, eerste lid, van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering kan het bevoegd gezag aan een instemming als bedoeld in artikel 39, tweede lid, van de Wbb, financiële zekerheid laten stellen indien de saneringskosten van het te saneren geval, dan wel de kosten van nazorg na de sanering, voor meer dan 50% na een periode van tenminste vijf jaar zullen worden gerealiseerd.
Partijen zijn verdeeld over de beantwoording van de vraag of het college bevoegd was om het voorschrift over de financiële zekerheidstelling aan de instemming te verbinden. Brickrock voert aan dat het college dit niet is, omdat de kosten van de deelsanering die na vijf jaar gerealiseerd zullen worden volgens haar minder dan 50% bedragen van de totale kosten van de deelsanering. Het college stelt zich op het standpunt  dat dit percentage hoger zal zijn dan 50% en dat het wel bevoegd is. Partijen hebben hierbij hun eigen berekeningen gehanteerd die zij baseren op verschillende rapporten en memo’s en zij hebben elkaars berekeningen bestreden.
De vragen die met deze discussie zijn opgeworpen lenen zich niet voor beantwoording in de voorlopige voorzieningenprocedure maar moeten in de bodemprocedure beantwoord. Daarom zal de voorzieningenrechter de vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen, beantwoorden aan de hand van een belangenafweging.
4.       Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak van 16 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:753, vormt een financieel belang op zichzelf in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Maar er kan aanleiding zijn om een voorlopige voorziening te treffen als aannemelijk is dat verzoekers anders in een financiële noodsituatie zullen komen te verkeren. Daarvan kan sprake zijn als de continuïteit van de bedrijfsvoering in gevaar komt als geen voorlopige voorziening wordt getroffen.
Brickrock stelt weliswaar dat zij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren als zij de bankgarantie moet stellen. Maar zij heeft dit op geen enkele wijze onderbouwd. Brickrock heeft geen inzicht gegeven in haar financiële situatie en heeft niet onderbouwd wat het financiële gevolg is van het moeten stellen van de bankgarantie.
Daarentegen acht de voorzieningenrechter het algemeen belang dat het college behartigt bij het handhaven van het voorschrift over de bankgarantie zwaarwegend. Het college beoogt hiermee namelijk het risico te verkleinen dat de kosten van de deelsanering uiteindelijk uit publieke middelen moeten worden betaald. Voor zover Brickrock zich op het standpunt heeft gesteld dat dit risico er zonder bankgarantie al niet is en dat de bankgarantie dus overbodig is, acht de voorzieningenrechter dit niet aannemelijk. Brickrock heeft niet onderbouwd wat voor verhaalsmogelijkheid de gemeente zou hebben in het geval van een faillissement van Brickrock. Voor zover Brickrock naar het eigendom van het perceel aan de Meester Strikstraat 8 heeft verwezen als een mogelijke verhaalsmogelijkheid, overweegt de voorzieningenrechter dat Brickrock dit destijds heeft verkregen voor een bedrag van € 1,00. Het is dan ook onduidelijk wat de economische waarde van het perceel in zijn huidige staat is en hoeveel verhaal dit biedt. Bovendien staat het standpunt van dat Brickrock dat het college bij een faillissement geen financiële risico’s loopt, haaks op het standpunt van Brickrock dat zij door het stellen van de bankgarantie in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren.
Gelet op het voorgaande weegt de voorzieningenrechter het belang van het college bij het handhaven van het voorschrift over de te stellen bankgarantie zwaarder dan het belang dat Brickrock heeft bij een schorsing van dit voorschrift.
Conclusie
5.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.       Het college hoeft de proceskosten niet te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.I. van der Schoot, griffier.
w.g. Van Ravels
voorzieningenrechter
w.g. Van der Schoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026
749-1082