ECLI:NL:RVS:2026:1468

Raad van State

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
202503134/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Drugs door CBR na vaststelling THC-gebruik

In deze zaak stond het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) centraal om de Educatieve Maatregel Drugs (EMD) op te leggen. De rechtbank Den Haag had het besluit van het CBR eerder bevestigd, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 10 maart 2026 bekrachtigd.

De kern van het geschil betrof de vraag of het CBR terecht mocht uitgaan van de juistheid van het proces-verbaal dat op ambtseed was opgemaakt. Appellant betwistte de waarnemingen van de verbalisant, maar de Afdeling oordeelde dat een enkele betwisting onvoldoende is om aan de bevindingen te twijfelen. Het proces-verbaal bevatte concrete aanwijzingen, zoals slingeren op de weg, vergrote pupillen en bloeddoorlopen ogen, die aanleiding gaven tot het afnemen van een speekseltest en bloedonderzoek.

De testen bevestigden de aanwezigheid van tetrahydrocannabinol (THC) in het lichaam van appellant. Op grond van artikel 17 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 is het CBR verplicht om in dergelijke gevallen de EMD op te leggen. De Afdeling stelde vast dat het opleggen van de maatregel niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat appellant gebruik heeft gemaakt van een betalingsregeling voor de uitvoeringskosten.

Er waren geen bijzondere omstandigheden die een andere uitkomst rechtvaardigden. Ook werd geoordeeld dat het CBR niet verplicht is proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt daarmee de rechtmatigheid van het besluit van het CBR en de eerdere uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het besluit van het CBR tot oplegging van de Educatieve Maatregel Drugs aan appellant wegens THC-gebruik tijdens het rijden.

Uitspraak

202503134/1/A2.
Datum uitspraak: 10 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 april 2025 in zaak nr. 24/7973 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR).
Openbare zitting gehouden op 10 maart 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter
griffier: mr. D.T.J. van de Voort
Verschenen:
Het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark;
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 15 april 2025 van de rechtbank Den Haag.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
•        Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag het CBR uitgaan van de juistheid van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. Als de bevindingen in het proces-verbaal worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 ten grondslag kunnen worden gelegd.
•        De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR mocht uitgaan van de bevindingen in het proces-verbaal. De enkele betwisting door [appellant] van de waarnemingen van de verbalisant, zoals opgenomen in het proces-verbaal, is onvoldoende om aan de bevindingen te twijfelen.
•        Uit het proces-verbaal volgt dat er concrete aanwijzingen waren die aanleiding gaven tot het afnemen van de speekseltest en het instellen van het bloedonderzoek. Onder meer is waargenomen dat [appellant] slingerend over de weg reed, dat hij vergrote pupillen had en zijn ogen bloeddoorlopen waren. De testen hebben vervolgens ook bevestigd dat er (een verhoogde waarde van) tetrahydrocannabinol (THC) aanwezig was.
•        Onder deze omstandigheden is het CBR op grond van artikel 17 van Pro de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 gehouden om de Educatieve Maatregel Drugs (EMD) in het verkeer op te leggen.
•        Het opleggen van de EMD aan [appellant] is niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Zo is er de mogelijkheid voor het treffen van een betalingsregeling voor het betalen van de uitvoeringskosten, waarvan [appellant] ook gebruik heeft gemaakt. Niet is gebleken van andere bijzondere omstandigheden.
Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
1062