ECLI:NL:RVS:2026:1467

Raad van State

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
15 maart 2026
Zaaknummer
202600559/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 WpgArt. 27 WpgArt. 6:16 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake inzage persoonsgegevens politie

De korpschef van politie weigerde aanvankelijk inzage te geven in de persoonsgegevens van een burger die hinder ondervond bij reizen naar het buitenland. Na gedeeltelijke toewijzing door de korpschef en vernietiging van besluiten door de rechtbank, werd de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De korpschef verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die hem zou vrijstellen van het nemen van een nieuw besluit zolang het hoger beroep loopt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de wet geen schorsende werking toekent aan hoger beroep en dat het belang van een efficiënte en finale geschilbeslechting vereist dat een nieuw besluit wordt genomen.

De voorzieningenrechter achtte het aannemelijk dat persoonsgegevens mogelijk met derden zijn gedeeld en dat de korpschef dit opnieuw moet onderzoeken en motiveren. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waarbij het belang van de burger zwaarder woog dan dat van de korpschef.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de korpschef moet een nieuw besluit nemen over het inzageverzoek.

Uitspraak

202600559/2/A3.
Datum uitspraak: 16 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb), hangende het hoger beroep van:
de korpschef van politie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 januari 2026 in zaak nr. 23/1478 in het geding tussen:
de korpschef
en
[wederpartij], wonend in [woonplaats].
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2023 heeft de politiechef van de landelijke eenheid namens de korpschef het verzoek van [wederpartij] om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens, afgewezen.
Bij besluit van 24 april 2023 heeft de korpschef het verzoek alsnog gedeeltelijk toegewezen en het besluit van 26 januari 2023 ingetrokken.
Op 6 juni 2024 heeft de korpschef een aanvullend besluit genomen.
Bij uitspraak van 13 januari 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het besluit van 26 januari 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de besluiten van 24 april 2023 en 6 juni 2024 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de korpschef opgedragen een nieuw besluit te nemen op het verzoek van [wederpartij].
Tegen deze uitspraak heeft de korpschef hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft de korpschef de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2026, waar de korpschef, vertegenwoordigd door P. Pasteuning, is verschenen.
Overwegingen
1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
Inleiding
2.       [wederpartij] heeft op 12 januari 2023 op grond van artikel 25 van Pro de Wet politiegegevens (Wpg) de korpschef verzocht om inzage in en informatie over de verwerking van zijn persoonsgegevens. Hij stelt hinder en beperkingen te ondervinden bij het reizen naar het buitenland: hij wordt regelmatig ondervraagd bij de douane en de toegang tot Dubai en Singapore is hem geweigerd. Hij wil daarom weten welke gegevens over hem zijn verwerkt. De korpschef heeft voor een deel van de gegevens waarover hij beschikt inzage geweigerd.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft, voor zover relevant voor deze procedure bij de voorzieningenrechter, het volgende geoordeeld. De korpschef heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij de belangen van [wederpartij] heeft afgewogen tegen de belangen van de korpschef bij toepassing van de weigeringsgronden. Daarnaast heeft de korpschef onvoldoende gemotiveerd of informatie over [wederpartij] is gedeeld met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV). [wederpartij] heeft in beroep gesteld dat uit informatie van de NCTV volgt dat de korpschef aan de NCTV een e-mail heeft gestuurd waarin zijn persoonsgegevens staan. De korpschef heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat deze e-mail niet bij de toewijzing van het inzageverzoek is betrokken. De korpschef moet daarom een nieuw besluit nemen. De korpschef moet opnieuw onderzoeken of de persoonsgegevens van [wederpartij] met andere instanties of derden zijn gedeeld, aldus de rechtbank.
Verzoek om voorlopige voorziening
4.       De korpschef heeft de voorzieningenrechter verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat hij in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen nieuw besluit hoeft te nemen op het verzoek van [wederpartij].
5.       Gelet op artikel 6:16 van Pro de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24, heeft de wetgever ervoor gekozen om geen schorsende werking toe te kennen aan het instellen van hoger beroep. Derhalve geldt ook indien ter zake nog een hogerberoepsprocedure aanhangig is als uitgangspunt dat na vernietiging van een besluit op bezwaar een nieuw besluit wordt genomen. Bovendien is het in het belang van een efficiënte en finale geschilbeslechting dat een nieuw besluit op bezwaar wordt genomen, welk besluit met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb, gelezen in verbinding met artikel 6:24, in het kader van het hoger beroep kan worden beoordeeld. Indien de aangevallen uitspraak naar aanleiding waarvan het nieuwe besluit is genomen in hoger beroep niet in stand blijft, komt aan dat besluit de grondslag te ontvallen en zal het worden vernietigd.
6.       De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt dat geen schorsende werking toekomt aan het instellen van hoger beroep. Dat het nieuw te nemen besluit bij een geslaagd hoger beroep zijn grondslag zal verliezen, is daarvoor onvoldoende. Daarbij acht de voorzieningenrechter de volgende omstandigheden van belang.
7.       De korpschef is door de rechtbank opgedragen opnieuw te beoordelen of de persoonsgegevens van [wederpartij] met andere instanties of derden zijn gedeeld. De stelling van [wederpartij] op de zitting van de rechtbank dat uit informatie die hij van de NCTV heeft verkregen blijkt dat de korpschef een e-mail heeft verstuurd aan de NCTV waarin zijn persoonsgegevens staan, acht de voorzieningenrechter niet op voorhand onaannemelijk. Het ligt daarom voor de hand dat de korpschef navraag doet bij de NCTV over het bestaan van de e-mail en aan de hand van het antwoord van de NCTV opnieuw onderzoekt of de persoonsgegevens van [wederpartij] met andere instanties of derden zijn gedeeld. Als de korpschef stelt dat geen persoonsgegevens zijn gedeeld met andere instanties of derden of dat de korpschef hierin geen inzage kan verlenen, moet hij dit motiveren. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen, kan de korpschef bij het nieuw te nemen besluit volstaan met een beperkte motivering als hij van mening is dat inzage geweigerd moet worden omdat sprake is van één of meerdere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wpg. Indien de korpschef vindt dat de motivering door de aard van de informatie beperkt moet blijven, moet hij een aanvullende motivering onder geheimhouding aan de Afdeling verstrekken. Dit betekent dat uitvoering van de opdracht van de rechtbank, anders dan de korpschef betoogt, geen onomkeerbare gevolgen heeft. Verder is de korpschef door de rechtbank opgedragen de belangenafweging inzichtelijk te maken. Bij een inzageverzoek op grond van de Wpg moet een belangenafweging worden gemaakt. Voor het standpunt van de korpschef dat de mogelijke gevolgen van de verwerking van de persoonsgegevens van [wederpartij] - de door hem ervaren reisbeperkingen - in die belangenafweging geen rol mogen spelen, ziet de voorzieningenrechter op voorhand geen aanknopingspunten. Bovendien geldt ook hier dat de korpschef de motivering van de belangenafweging onder geheimhouding aan de Afdeling kan verstrekken, als hij van mening is dat delen van de motivering door de aard van de informatie beperkt moeten blijven. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van de korpschef om geen uitvoering te geven aan uitspraak van de rechtbank minder zwaar weegt dan het belang van [wederpartij].
8.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
9.       De korpschef hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Daalder
voorzieningenrechter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026
1013