ECLI:NL:RVS:2026:1437

Raad van State

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
202505023/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • A.B. Blomberg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 23.2.3 planregels Buitengebied Sint-Michielsgestel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bouw vrijstaande woning nabij woonperceel

Het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel verleende op 15 augustus 2024 een omgevingsvergunning voor de bouw van een vrijstaande woning op een perceel grenzend aan de tuin van verzoeker. Verzoeker maakte bezwaar tegen de vergunning vanwege de minimale afstand tot een waterloop, maar dit bezwaar werd grotendeels ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen de vergunning ongegrond, waarna verzoeker hoger beroep instelde bij de Raad van State en tevens een voorlopige voorziening verzocht om de bouw te stoppen totdat het hoger beroep is beslist.

De voorzieningenrechter overwoog dat het belang van verzoeker vooral ligt in het behoud van vrij uitzicht, privacy en het voorkomen van schaduwhinder op zijn moestuin. Het belang van de vergunninghouder bij het voortzetten van de bouw, die al bijna gereed is en op eigen risico wordt uitgevoerd, werd echter zwaarder geacht. Er was geen bewijs dat de woning het woon- en leefklimaat van verzoeker onaanvaardbaar zou aantasten.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan op 12 maart 2026 door de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bouw van de woning wordt afgewezen omdat het belang van de vergunninghouder zwaarder weegt.

Uitspraak

202505023/2/R2.
Datum uitspraak: 12 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Den Dungen, gemeente Sint-Michielsgestel (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]),
verzoeker,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost­Brabant (hierna: de rechtbank) van 25 juli 2025 in zaken nrs. 25/1201 en 25/1203 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel.
Procesverloop
Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft het college een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwen verleend, voor de bouw van een vrijstaande woning.
Bij besluit van 14 april 2025 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard wat betreft een ontoereikende motivering over de minimale afstand van de woning tot de waterloop, voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 15 augustus 2024 onder aanvulling van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[partij A], vergunninghouder, heeft op het verzoek gereageerd.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 26 februari 2026, waar [verzoeker A] en [verzoeker B] zijn verschenen. Namens het college heeft V. van Hees deelgenomen via een digitale verbinding. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1.       Op 17 juli 2024 heeft [partij A] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] in Den Dungen.
Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Volgens het college is het bouwplan in overeenstemming met de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Sint-Michielsgestel, 3e actualisatie" (hierna: de planregels). Dit bestemmingsplan maakt deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Sint-Michielsgestel.
Bij het besluit op bezwaar heeft het college de motivering aangevuld en zich op het standpunt gesteld dat de activiteit in strijd is met artikel 23.2.3, aanhef en onder i, van de planregels omdat niet voldaan wordt aan de vereiste afstand tot aan de waterlopen van minimaal 5 m. De afstand van de woning tot aan de sloot, die zich aan de voorzijde van de nieuwe woning bevindt, bedraagt namelijk 3 m.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen.
Het verzoek om een voorlopige voorziening
2.       [verzoeker] woont aan de [locatie 2]. De nieuwe woning wordt gerealiseerd op het perceel dat grenst aan zijn tuin. Het verzoek om een voorlopige voorziening is erop gericht om te voorkomen dat de nieuwe woning wordt gebouwd voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan op zijn hoger beroep.
Beoordeling van het verzoek
3.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
4.       De voorzieningenrechter overweegt dat het belang van [verzoeker] bij het treffen van een voorlopige voorziening eruit bestaat dat hij onomkeerbare nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat wil voorkomen. Dit belang is er, zoals ook op de zitting is besproken, voornamelijk in gelegen dat hij vrij uitzicht behoudt, dat zijn privacy niet wordt aangetast en dat er geen schaduwhinder zal plaatsvinden op zijn moestuin. Het belang van met name [partij A] bij het niet treffen van een voorlopige voorziening bestaat uit het mogen continueren van de reeds gestarte werkzaamheden voor de woning.
5.       De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang bij het niet treffen van een voorlopige voorziening in dit geval zwaarder weegt dan het belang van [verzoeker] bij het treffen daarvan. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken dat de nieuwe woning het woon- en leefklimaat van [verzoeker] onaanvaardbaar zal aantasten. De voorzieningenrechter overweegt verder dat [partij A] een relatief groot belang heeft bij het mogen voltooien van de bouw, waarbij geldt dat de woning al bijna gereed is en hij voor eigen risico bouwt. Mocht de omgevingsvergunning in de bodemprocedure geen stand houden, bestaat het risico dat hij de nieuwe woning moet afbreken.
6.       Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen een voorlopige voorziening af.
Conclusie
7.       Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Aldus vastgesteld door mr. A.B. Blomberg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Blomberg
voorzieningenrechter
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026
680-1167