ECLI:NL:RVS:2026:1415

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202305536/2/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in bestuursrechtelijke procedure

In deze bestuursrechtelijke procedure hebben appellant A en appellant B een verzoek ingediend om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De procedure betrof een enkelvoudige bestuursrechtelijke zaak zonder voorafgaande bezwaarprocedure. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar, die geldt voor dergelijke procedures, met vier maanden is overschreden.

De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500 per half jaar overschrijding. Gezien de gezamenlijke procedure van appellant A en appellant B, heeft de Afdeling het bedrag gematigd en ieder appellant de helft van het bedrag toegekend. Dit is gebaseerd op de redenering dat gezamenlijk procederen de stress en het ongemak heeft verminderd.

De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, is veroordeeld tot betaling van een totale schadevergoeding van € 500, waarbij betaling aan één van de appellanten als voldoening aan de betalingsverplichting geldt. Proceskosten zijn niet toegewezen. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 11 maart 2026.

Uitkomst: De Staat der Nederlanden is veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

202305536/2/R2.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op een verzoek om schadevergoeding van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Vlijmen, gemeente Heusden.
Procesverloop
Bij uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6334, heeft de Afdeling uitspraak gedaan op het beroep van onder meer [appellant A] en [appellant B].
In die zaak hebben [appellant A] en [appellant B] verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Overschrijding redelijke termijn
1.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de procedure niet binnen een redelijke termijn is afgerond. Om die reden hebben zij verzocht om schadevergoeding.
2.       De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
3.       De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant A] en [appellant B] ontvangen op 25 augustus 2023. De redelijke termijn is in deze procedure dus met vier maanden overschreden.
4.       De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00. Dat betekent dat [appellant A] en [appellant B] in beginsel ieder recht hebben op een schadevergoeding van € 500,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellant A] en [appellant B] samen procederen, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen, in die zin dat zij ieder de helft van dat bedrag krijgen toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het instellen van gezamenlijk beroep in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die [appellant A] en [appellant B] hebben ondervonden vanwege de te lang durende procedure. Door gezamenlijk beroep in te stellen hebben zij de voor- en nadelen van het voeren van deze procedure kunnen delen. Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245).
Conclusie
5.       De Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) moet [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.
6.       De Staat der Nederlanden hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
II.       veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties) om aan [appellant A] en [appellant B] een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boermans
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
429-1186