202406461/1/A3.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 5 september 2024 in zaak nr. 23/334 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2022 heeft de korpschef van de Nationale Politie de jachtakte van [appellant] ingetrokken.
Bij besluit van 20 december 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Touwen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De korpschef heeft aan [appellant] een jachtakte verleend. De jachtakte is op 10 mei 2022 op grond van artikel 5.4, vierde lid, onder c, van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingetrokken, omdat [appellant] volgens de korpschef niet langer kan worden toevertrouwd wapens of munitie voorhanden te hebben. De minister is in administratief beroep bij dit besluit gebleven. De minister baseert dit standpunt op een incident dat op 27 januari 2022 tussen [appellant] en zijn echtgenote en hun overburen heeft plaatsgevonden waarbij meerdere personen, onder anderen [appellant] en zijn echtgenote, gewond zijn geraakt. De politie is ter plaatse gekomen en heeft een mutatierapport en een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. De betrokkenen en een getuige zijn gehoord, waarvan ook proces-verbaal is opgemaakt. [appellant] heeft aangifte gedaan en tegen [appellant] is ook aangifte gedaan.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de besluiten van de korpschef en minister niet onzorgvuldig zijn voorbereid en evenmin sprake is van vooringenomenheid. Daarnaast hebben de korpschef en de minister terecht besloten de jachtakte in te trekken omdat er aanwijzingen waren dat aan [appellant] het voorhanden hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. De korpschef en minister mochten erop vertrouwen dat de processen-verbaal op de juiste wijze zijn vastgelegd. [appellant] was betrokken bij het incident. Hij heeft als wapenverlofhouder een bijzondere positie, waarin hij moet voorkomen dat hij in een incident als dit terecht komt. In die zin is hij medeverantwoordelijk voor de gevolgen van de escalatie. Uit een proces-verbaal blijkt dat [appellant] een mes bij zich droeg en de dochter van zijn buurman bij de keel heeft gegrepen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef en de minister de belangen van [appellant] minder zwaar konden wegen dan de belangen die bij intrekking van de jachtakte zijn gediend.
Hoger beroep
3. Wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo goed als een herhaling van de gronden die hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling aan toe dat de korpschef en de minister de jachtakte op grond van artikel 5.4, vierde lid, onder c, van de Wnb intrekken als geringe twijfel bestaat dat [appellant] het hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd. Van die geringe twijfel is hier sprake, omdat [appellant] zich in een situatie heeft begeven waar over en weer geweld heeft plaatsgevonden met verwondingen als gevolg. Dit blijkt uit de informatie van de politie en de getuige. Het kan [appellant] worden aangerekend dat hij niet de-escalerend heeft gehandeld tijdens het incident. De Afdeling ziet verder geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de minister dat hij op 23 juni 2022 kopieën van de betreffende processen-verbaal samen met het verweerschrift aan de voormalige gemachtigde van [appellant] heeft toegestuurd. Van strijd met het beginsel van ‘equality of arms’ is daarom geen sprake.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
1013