ECLI:NL:RVS:2026:1378

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202505715/1/R4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.O. van Veldhuizen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbAfvalstoffenverordening Rotterdam 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen spoedeisende bestuursdwang voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 22 juli 2025 schriftelijk bevestigd dat op 12 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang is toegepast wegens het verkeerd aanbieden van huishoudelijk afval naast een ondergrondse container. De kosten van €192,00 zijn aan appellante opgelegd omdat haar naam en adres op het adreslabel van de aangetroffen doos stonden.

Appellante betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij deze niet naast de container heeft geplaatst en dat er sprake is van een administratief misverstand. Zij vermoedt dat iemand uit haar omgeving de doos heeft neergezet. Tevens voert zij aan dat zij de foto’s van het toezichtrapport niet heeft ontvangen.

De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat volgens vaste rechtspraak het bewijsvermoeden geldt dat degene aan wie het afval kan worden herleid, de overtreder is, tenzij voldoende twijfel wordt gezaaid. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij niet de overtreder is. Het college heeft bovendien aangetoond dat de foto’s van het rapport haar per e-mail zijn toegezonden. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en hoeft het college geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wegens verkeerd aanbieden van afval is ongegrond verklaard.

Uitspraak

202505715/1/R4.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in Rotterdam,
appellante,
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,
verweerder
Procesverloop
Bij besluit van 22 juli 2025 heeft het college zijn beslissing om op 12 juli 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellante] komen.
Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 12 juli 2025 is aangetroffen naast een ondergrondse container (ORAC) ter hoogte van de [locatie] in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.
Overtreding
2.       [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij de doos niet naast de container heeft neergezet en zij haar huisvuil elders aanbiedt. Zij stelt dat er sprake moet zijn van een administratief misverstand. Verder voert [appellante] aan dat zij enkel kan concluderen dat iemand uit haar naaste omgeving haar niet positief gezind moet zijn. [appellante] voert als laatste aan dat het college de foto’s van het rapport van de toezichthouder nooit aan haar heeft toegestuurd en dat ook niet kan omdat uit het niet toesturen zou blijken dat deze niet bestaan nu de overtreding niet heeft plaatsgevonden.
2.1.    Als verkeerd aangeboden huishoudelijk afval tot een bepaalde persoon is te herleiden mag er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling van worden uitgegaan dat dit afval door de betrokkene op onjuiste wijze ter inzameling is aangeboden en dat hij de overtreder is. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.
Op grond van dit bewijsvermoeden is de enkele omstandigheid dat de aangetroffen afvalstoffen tot een persoon te herleiden zijn, in beginsel voldoende om diegene als overtreder aan te merken. Het is vervolgens aan diegene om het bewijsvermoeden te ontkrachten. De daarbij te hanteren maatstaf is of dat wat de betrokkene daartegen aanvoert de juistheid van dat vermoeden in twijfel doet trekken. De betrokkene hoeft dus niet te bewijzen dat hij niet de overtreder was. Ontstaat voldoende twijfel of de als overtreder aangemerkte persoon daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het plaatsen van de afvalstoffen, dan is daarmee het bewijsvermoeden ontkracht. Het bestuursorgaan kan in dat geval aan de op hem rustende bewijslast voldoen door aannemelijk te maken dat de betrokkene toch de overtreder is. Daarvoor is dan meer nodig dan het enkel wijzen op de omstandigheden die ten grondslag lagen aan de toepassing van het bewijsvermoeden.
2.2.    Vast staat dat op 12 juli 2025 naast een ORAC ter hoogte van de [locatie] een doos is aangetroffen, die daarmee in strijd is met de Afvalstoffenverordening ter inzameling is aangeboden. Gelet op het op de doos aangetroffen adreslabel is de doos tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij door wat zij aanvoert twijfel ontstaat of zij daadwerkelijk verantwoordelijk is voor het verkeerd aanbieden van de doos. Met de stellingen dat zij de doos niet naast de container heeft neergezet en dat iemand uit haar naaste omgeving die haar niet positief gezind is dat heeft gedaan, heeft [appellante] niet voldoende twijfel gezaaid dat zij niet de overtreder is. Daarom heeft het college haar terecht als overtreder aangemerkt. De Afdeling kan het betoog van [appellante], voor zover zij heeft aangevoerd dat zij van het college de foto’s van het rapport van de toezichthouder niet heeft ontvangen, niet volgen. Uit stukken in het dossier blijkt dat [appellante] per e-mailbericht van 24 juli 2025 de stukken van het dossier, inclusief de foto’s van het rapport van de toezichthouder, heeft ontvangen. Deze zijn haar nogmaals per e-mailbericht van 29 september 2025 toegestuurd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
3.       Het beroep is ongegrond.
4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Klingers, griffier.
w.g. Van Veldhuizen
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Klingers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
341-836