ECLI:NL:RVS:2026:137
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting en weigering opvang asielzoeker
Verzoeker heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke bij besluit van 23 juli 2025 is afgewezen. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 5 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tegelijkertijd verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen, zodat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en om opvang en verstrekkingen te verkrijgen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht.
Na afweging van de aangevoerde gronden heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er geen aanleiding is om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is daarom afgewezen en de minister is niet verplicht gesteld proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 12 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen uitzetting en voor opvang wordt afgewezen.