ECLI:NL:RVS:2026:1350

Raad van State

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
202502419/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging gedeeltelijke afwijzing inzageverzoek door korpschef van politie

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025, waarin haar inzageverzoek deels werd afgewezen door de korpschef van politie. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 2 maart 2026 de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

De rechtbank had uitgebreid gemotiveerd waarom het inzageverzoek niet volledig kon worden ingewilligd en had, met toestemming van appellante, kennisgenomen van een onder geheimhouding overgelegde motivering van de korpschef. De Afdeling neemt deze overwegingen integraal over.

In het hoger beroep stelde appellante dat er meer documenten over haar aanwezig moesten zijn bij de politie, onder verwijzing naar een verklaring van haar advocaat en tegenstrijdigheden in data. De Afdeling verwijst naar vaste jurisprudentie dat het aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat dergelijke stukken bestaan wanneer het bestuursorgaan stelt dat deze niet (meer) berusten bij het bestuursorgaan. Appellante heeft dit niet aannemelijk gemaakt, waardoor het beroep ongegrond is verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de gedeeltelijke afwijzing van het inzageverzoek wordt bevestigd.

Uitspraak

202502419/1/A3
Datum uitspraak: 2 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 12 maart 2025 in zaak nr. 23/1469 in het geding tussen:
[appellante]
en
de korpschef van politie.
Openbare zitting gehouden op 2 maart 2026 om 15:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, voorzitter
griffiers: mr. S. Langeveld en mr. C.E.J. van der Linden
Verschenen:
[appellante], wonend te Enschede, bijgestaan door [gemachtigde] en M.V. Hazekamp, juridisch medewerker te Delden;
Korpschef van politie, vertegenwoordigd door P. Pasteuning en mr. M. van Ham.
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 12 maart 2025, zaaknr. 23/1469, van de rechtbank Overijssel.
De Afdeling
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden:
De rechtbank heeft uitgebreid gemotiveerd of het inzageverzoek deels mocht worden afgewezen en heeft, net als de Afdeling, met toestemming van [appellante] kennisgenomen van de door de korpschef onder geheimhouding overgelegde motivering. De Afdeling neemt over wat de rechtbank daarover heeft overwogen in overwegingen 8 en 8.1. van de uitspraak.
Daarnaast is in hoger beroep betoogd dat meer stukken over [appellante] aanwezig moeten zijn bij de politie. Daarbij is verwezen naar een verklaring van advocaat Weski en tegenstijdigheid in data. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde stukken niet of niet meer bij hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die stukken toch onder het bestuursorgaan berusten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2941, onder 5.3). Met wat [appellante] heeft aangevoerd is dat niet aannemelijk gemaakt.
mr. M. Soffers                                      mr. S. Langeveld
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Langeveld
griffier
317-1146