ECLI:NL:RVS:2026:1339
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- D.A. Verburg
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 11 oktober 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat bij besluit van 13 februari 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 september 2025 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand liet.
Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep geen gronden bevat die aanleiding geven tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Met name is niet gebleken dat het hoger beroep vragen oproept die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin.
De Afdeling bevestigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Tevens wordt bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 12 maart 2026 door de voorzitter en leden van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.