ECLI:NL:RVS:2026:1331

Raad van State

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.000628
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie heeft op 21 juli 2025 een aanvraag van betrokkene om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Betrokkene stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 februari 2026 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij de uitspraak van de rechtbank moet uitvoeren voordat het hoger beroep is beslist. Betrokkene gaf een schriftelijke reactie en stelde incidenteel hoger beroep in.

De voorzieningenrechter heeft de belangen van beide partijen afgewogen en besloten de voorlopige voorziening toe te wijzen. Hierdoor hoeft de minister de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister is niet verplicht proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000628
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 2 februari 2026 in zaak nr. NL25.33914 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 2 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkene naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.
w.g. Meijer
voorzieningenrechter
w.g. Lodeweges
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
625