ECLI:NL:RVS:2026:1297
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 31 augustus 2023 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de minister het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag oordeelde op 26 februari 2026 dat het besluit onrechtmatig was, vernietigde het en beval de minister binnen een week een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten. De voorzieningenrechter overwoog dat uitvoering van de uitspraak onomkeerbare gevolgen zou hebben en dat het hoger beroep daardoor zijn betekenis grotendeels zou verliezen.
Daarom werd de voorlopige voorziening toegekend, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.