ECLI:NL:RVS:2026:1291
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
Appellant, een Cubaanse nationaliteit houdende vrouw, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 3 november 2023 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling beoordeelde ambtshalve of appellant belang had bij een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. Geconstateerd werd dat appellant reeds rechtmatig verblijf in Nederland heeft sinds 2 januari 2023, waardoor zij niet hoeft te vertrekken en haar recht op familie- en gezinsleven kan uitoefenen. Hierdoor maakt de afwijzing van de aanvraag geen inbreuk op haar rechten.
Daarnaast kon appellant geen eerdere ingangsdatum van rechtmatig verblijf verkrijgen dan de reeds vastgestelde datum. Ook werd vastgesteld dat de door appellant gestelde schade niet het gevolg was van het bestreden besluit, maar van een eerder besluit. Gezien het ontbreken van een gunstigere positie en belang verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang van appellant.