ECLI:NL:RVS:2026:1281
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzetting en toekenning opvang in asielprocedure
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 21 oktober 2025 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep van verzoeker op 16 februari 2026 ongegrond. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 9 maart 2026 besloten dat verzoeker niet mag worden uitgezet zolang het hoger beroep loopt. Tevens is bepaald dat de minister de proceskosten van verzoeker, ter hoogte van € 934,00, moet vergoeden, welke kosten volledig toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Deze voorlopige voorziening is getroffen op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij rekening is gehouden met de belangen van verzoeker en de voortgang van de procedure. De uitspraak is in het openbaar gedaan en ondertekend door voorzieningenrechter M. Soffers en griffier K. Veen.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden uitgezet totdat het hoger beroep is beslist en de minister moet proceskosten vergoeden.