ECLI:NL:RVS:2026:1280
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunningen na hoger beroep
Appellanten, waaronder minderjarige kinderen, maakten bezwaar tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde dit besluit echter en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven.
Appellanten stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming en zag daarom geen aanleiding tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank.
Ook werd geen deskundige benoemd voor nader onderzoek. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee het vonnis van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.