ECLI:NL:RVS:2026:1274

Raad van State

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.000111
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 85 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier

Appellant heeft bij besluit van 20 december 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk op 20 augustus 2025. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 10 december 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling constateerde echter dat appellant niet heeft toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor geen inhoudelijk oordeel over het hoger beroep mogelijk was.

Op grond hiervan verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder voorzitterschap van mr. J.C.A. de Poorter op 9 maart 2026.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een gemotiveerd betoog tegen de uitspraak van de rechtbank.

Uitspraak

BRS.26.000111
Datum uitspraak: 9 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 december 2025 in zaak nr. 25/17200 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 augustus 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 10 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door drs. F.W. King, rechtsbijstandverlener in Leiden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens haar niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van Pro de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026
918