ECLI:NL:RVS:2026:1273
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf in hoger beroep
Appellant heeft bij besluit van 15 augustus 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de minister van Asiel en Migratie is afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar van appellant tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk op 8 mei 2025. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, die op 7 november 2025 het beroep ongegrond verklaarde.
Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling oordeelt dat het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het hoger beroep ongegrond.