ECLI:NL:RVS:2026:1220
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursrechtelijke procedure
De zaak betreft een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn in een bestuursrechtelijke procedure. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag waarin werd meegedeeld dat geen persoonsgegevens over hem waren verwerkt. Dit bezwaar werd ongegrond verklaard, waarna ook het beroep bij de rechtbank werd afgewezen. Verzoeker stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De procedure begon op 24 maart 2021 met de ontvangst van het bezwaarschrift en liep door tot de uitspraak van de Afdeling op 15 oktober 2025, waarmee de redelijke termijn van vier jaar met bijna zeven maanden werd overschreden. Deze overschrijding is aan de Afdeling toe te rekenen, omdat de behandeling van het hoger beroep ruim drie jaar heeft geduurd.
De Afdeling veroordeelt de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, tot betaling van een schadevergoeding van €1000 aan verzoeker. Een proceskostenvergoeding wordt niet toegekend. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van mr. C.J. Borman.
Uitkomst: De Staat der Nederlanden wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €1000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.