ECLI:NL:RVS:2026:1190

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
202505957/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 7.64 Whw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen afsluiting uMail-account alumnus Universiteit Leiden

Een alumnus van de Universiteit Leiden kreeg per e-mail bericht dat zijn uMail-account voor alumni wordt afgesloten. Het college van bestuur stelde dat alumni geen recht hebben op het gebruik van het uMail-netwerk op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw). Het college verklaarde het bezwaar van de alumnus tegen de afsluiting kennelijk niet-ontvankelijk.

De alumnus stelde beroep in tegen deze beslissing. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het e-mailbericht geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, maar een feitelijke handeling zonder rechtsgevolgen. Hierdoor is het bericht niet vatbaar voor bezwaar of beroep.

De Raad van State verwierp de argumenten van de alumnus dat het bericht wel een besluit zou zijn en verklaarde het beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak bevestigt dat het gebruik van het uMail-netwerk voor alumni een gunst is en geen recht op basis van de Whw.

Uitkomst: Het beroep van de alumnus tegen de afsluiting van zijn uMail-account wordt ongegrond verklaard omdat het geen besluit met rechtsgevolgen betreft.

Uitspraak

202505957/1/A2.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Leiden,
appellant,
en
het college van bestuur van de Universiteit Leiden,
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mailbericht van 23 mei 2025 heeft het college aan [appellant] medegedeeld dat zijn uMail-account voor alumni wordt afgesloten.
Bij beslissing van 9 september 2025 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 februari 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. E.M.A. van der Linden, is verschenen. [appellant] heeft via een digitale videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellant] heeft in 2009 zijn doctoraalstudie Geschiedenis aan de universiteit behaald. Bij de afronding van zijn studie mocht hij als alumnus gebruik blijven maken van het uMail-netwerk en had hij een uMail-account.
Met het e-mailbericht van 23 mei 2025 heeft het college aan hem medegedeeld dat zijn uMail-account wordt afgesloten.
Besluitvorming
2.       Bij de beslissing van 9 september 2025 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar, onder overneming van het advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften van 29 juli 2025, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Aan de beslissing is ten grondslag gelegd dat [appellant] als alumnus bij of krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) geen recht heeft op het gebruik van het uMail-netwerk van de universiteit. Dat het college hem heeft toegestaan om na zijn afstuderen gebruik te blijven maken van het uMail-netwerk is geen recht, maar een gunst aan [appellant] en andere alumni. Het afsluiten van zijn account heeft geen rechtsgevolgen en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar een feitelijke handeling. Daartegen kan op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb in samenhang gelezen met artikel 8:1 van Pro de Awb, geen bezwaar worden gemaakt, aldus het college.
Beroep en de beoordeling daarvan
3.       De door [appellant] aangevoerde betogen slagen niet. Het e-mailbericht van 23 mei 2025 is geen schriftelijke beslissing jegens een betrokkene in de zin van artikel 7.64 van de Whw, omdat de beslissing niet is genomen op grond van de Whw en daarop gebaseerde regelingen. Ook is het e-mailbericht geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, omdat deze mededeling een feitelijke handeling aankondigt en niet op rechtsgevolg is gericht. Hetgeen [appellant] op de zitting heeft toegelicht, leidt niet tot een ander oordeel.
Het betoog faalt.
4.       Het beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
705