AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid verzoek op grond van verdrag van Aarhus wegens onvoldoende concreetheid
Appellante heeft bij brief van 23 oktober 2023 een verzoek gericht aan de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om te voldoen aan de positieve verplichtingen uit het verdrag van Aarhus en herstel van de verloren gegane rechtsorde. Na het uitblijven van een beslissing stelde appellante de minister in gebreke en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het verzoek te weinig concreet was om als een aanvraag te worden aangemerkt.
In hoger beroep betoogde appellante dat het verzoek wel voldeed aan de vereisten en dat de minister verplicht was om te beslissen, al was het maar om het verzoek ongegrond te verklaren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het verzoek te algemeen was geformuleerd en geen concreet besluit vroeg dat een wettelijke grondslag had. Ook het beroep tegen het uitblijven van een besluit was daarom niet ontvankelijk.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 4 maart 2026.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het beroep bevestigd.
Uitspraak
202406655/1/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 20 september 2024 in zaak nr. 24/1237 in het geding tussen:
[appellante]
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Procesverloop
Bij brief van 23 oktober 2023 heeft [appellante] een verzoekschrift gericht aan de minister.
Bij brief van 6 december 2023 heeft [appellante] de minister in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek.
Bij brief van 7 januari 2024 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek.
Bij uitspraak van 20 september 2024 heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door A.H. Spriensma-Heringa, zijn verschenen.
Overwegingen
1. In het verzoekschrift verzoekt [appellante] de minister om te voldoen aan de in het verdrag van Aarhus opgenomen positieve verplichtingen en geeft hij de minister 30 dagen de tijd om met terugwerkende kracht de geconstateerde gebreken te herstellen. Ook verzoekt [appellante] de minister de verloren gegane rechtsorde te herstellen en hersteld te houden.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] te weinig concreet is om te kunnen worden aangemerkt als een ontvankelijke aanvraag in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het uitblijven van een beslissing op het verzoek kan daarom niet worden aangemerkt als het niet tijdig nemen van een besluit waartegen beroep bij de bestuursrechter openstaat.
3. [appellante] betoogt in hoger beroep dat is voldaan aan alle vereisten om een verzoek in te dienen en dat de minister daarom verplicht was om op zijn minst het verzoek ongegrond te verklaren. [appellante] kon niet voorzien dat zijn verzoek niet zou kwalificeren als een aanvraag. Volgens [appellante] is het verzoek een op rechtsgevolg gerichte aanvraag waarop hoe dan ook door de minister moet worden beslist.
4. De Afdeling oordeelt hierover dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het verzoek van [appellante] te weinig concreet was om dit te kunnen aanmerken als aanvraag om een besluit te nemen in de zin van artikel 1:3 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. Het verzoek is algemeen geformuleerd en vraagt niet om een bepaald in het verzoek omschreven besluit dat een grondslag zou vinden in een wettelijke regeling. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat het een verzoek op grond van de Wet open overheid is, maar het verzoek geeft hiervoor geen enkel aanknopingspunt. Omdat niet is nagelaten een bepaald gevraagd besluit te nemen, kon tegen het uitblijven daarvan geen beroep worden ingesteld. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, griffier.