ECLI:NL:RVS:2026:1157
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 februari 2022 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 31 mei 2023. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkenen op 21 januari 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te kennen.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda op 4 maart 2026, in aanwezigheid van griffier Q. Boon.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.