ECLI:NL:RVS:2026:1157

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
BRS.26.000795
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 22 februari 2022 aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 31 mei 2023. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van betrokkenen op 21 januari 2026 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog de belangen van beide partijen en besloot de voorlopige voorziening toe te kennen.

De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda op 4 maart 2026, in aanwezigheid van griffier Q. Boon.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.26.000795
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 januari 2026 in zaak nr. NL23.18748 in het geding tussen:
[betrokkene A], [betrokkene B] en [betrokkene C]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkenen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat hij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op zijn hoger beroep heeft beslist.
2.        Gelet op de belangen die de minister en betrokkenen naar voren hebben gebracht, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
977