ECLI:NL:RVS:2026:1142

Raad van State

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
202502871/1/A3, 202502871/2/A3, 202502881/1/A3 en 202502881/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51d AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8 Wegenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Raad van State schorst besluit onttrekking aansluitingen Tonisseweg aan openbaarheid wegens zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek

Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland besloot op 18 april 2024 om twee aansluitingen van de Tonisseweg in de gemeente Goeree-Overflakkee aan de N215 onttrekken aan de openbaarheid vanwege verkeersveiligheid. DG Infra en een andere verzoekster, bedrijven aan de Tonisseweg, stelden dat dit besluit hun bereikbaarheid en de verkeersveiligheid op de parallelweg negatief beïnvloedt. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond, maar de Raad van State oordeelt anders.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college onvoldoende inzicht heeft gegeven in de gevolgen van het besluit voor de verkeersafwikkeling, met name voor zwaar verkeer op de parallelweg en de rotonde bij bedrijvenpark Oostflakkee. Objectieve gegevens over verkeersintensiteit en -bewegingen ontbreken, en de voorgestelde aanvullende maatregelen zijn niet geborgd in het besluit. De voorzieningenrechter concludeert dat sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.

Daarom wordt het college opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen waarin de geconstateerde gebreken worden hersteld, met inachtneming van de door verzoekers aangedragen beelden en alternatieven. Tot die tijd wordt het besluit geschorst. De voorzieningenrechter zal in de einduitspraak ook een beslissing nemen over proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot onttrekking van de aansluitingen wordt geschorst en het college moet binnen twaalf weken een nieuw besluit nemen met betere onderbouwing en borging van maatregelen.

Uitspraak

202502871/1/A3, 202502871/2/A3, 202502881/1/A3 en 202502881/2/A3.
Datum uitspraak: 4 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 en Pro artikel 8:51d van die wet, op de hoger beroepen van:
1.       DG Infra B.V., gevestigd in Alblasserdam,
2.       [verzoekster sub 2], gevestigd in Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,
verzoekers,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 10 april 2025 in zaken nrs. 24/5532 en 22/5564 in de gedingen tussen:
Schotgroep Aannemingsbedrijf B.V. (nu: DG Infra) en [verzoekster sub 2]
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland.
Procesverloop
Bij besluit van 18 april 2024 heeft het college twee aansluitingen van de Tonisseweg in de gemeente Goeree-Overflakkee, ter hoogte van huisnummers […], aan de N215 onttrokken aan de openbaarheid.
Bij twee uitspraken van 10 april 2025 heeft de rechtbank de door DG Infra en [verzoekster sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken hebben DG Infra en [verzoekster sub 2] hoger beroep ingesteld.
Ook hebben DG Infra en [verzoekster sub 2] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op een zitting van 19 februari 2026 behandeld, waar DG Infra, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [verzoekster sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], allebei bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat in Middelharnis, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Brouwer, ir. F.A. Bos, mr. J.J. Broekhuijzen en M.J. van Schuylenburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       DG Infra en [verzoekster sub 2] hebben bedrijven aan de Tonisseweg in Oude-Tonge. Parallel aan de Tonisseweg ligt de autoweg N215. Ter hoogte van de bedrijven van DG Infra en [verzoekster sub 2], is de Tonisseweg door twee aansluitingen verbonden met de N215. Vrachtwagencombinaties en ander zwaar vrachtverkeer die bij de bedrijven van DG Infra en [verzoekster sub 2] moeten zijn, maken gebruik van die aansluitingen om op of van de percelen te komen. Volgens het college levert dit onveilige verkeerssituaties op. Daarom heeft het besloten de aansluitingen tussen de Tonisseweg en de N215 te onttrekken aan de openbaarheid en onder meer een vangrail te plaatsen tussen deze twee wegen. Het college wil in de eerste helft van 2026 beginnen met het uitvoeren van de werkzaamheden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit besluit mocht nemen.
Onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak
2.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Hoger beroep
3.       DG Infra en [verzoekster sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aansluitingen aan de openbaarheid mocht onttrekken. Weliswaar is dit goed voor de verkeersveiligheid en doorstroming op de N215, maar er ontstaan nadelige gevolgen voor de bereikbaarheid van hun percelen en de veiligheid van het verkeer op de parallelweg. Ter hoogte van het perceel van DG Infra kunnen grote vrachtwagencombinaties de draai naar het perceel niet maken, wat ook uit draaicurve berekeningen blijkt. Bovendien is de parallelweg te smal waardoor vrachtwagencombinaties elkaar niet kunnen passeren en de veiligheid van ander verkeer zoals fietsers in het gedrang komt. De plaats waar vrachtwagencombinaties vanaf de N215 de parallelweg op moeten rijden, ter hoogte van de rotonde op de N498 en de Energiebaan bij bedrijvenpark Oostflakkee, is onoverzichtelijk en eveneens te smal voor vrachtwagencombinaties, zeker als die elkaar moeten passeren. Dit leidt tot gevaarlijke verkeerssituaties en opstoppingen, aldus DG Infra en [verzoekster sub 2]. Zij hebben op de zitting van 19 februari 2026 videobeelden laten zien van de verkeerssituaties, zowel ter hoogte van hun percelen als bij de genoemde rotonde en oplossingen aangedragen die in hun ogen voor een veiligere verkeerssituatie en betere afwikkeling van het verkeer zorgen.
Beoordeling
4.       Artikel 8, tweede lid, van de Wegenwet bepaalt dat een weg, die de provincie onderhoudt, aan het openbaar verkeer kan worden onttrokken. Het college heeft daarbij beleidsruimte. Het moet vaststellen welke belangen moeten worden betrokken. Die belangen moet hij tegen elkaar afwegen. Daarbij gaat het in dit geval om de belangen die zijn gediend met het onttrekken van de aansluitingen en de nadelige gevolgen daarvan voor DG Infra en [verzoekster sub 2]. De voorzieningenrechter gaat bij beoordeling van de toepassing daarvan niet na of zij in het concrete geval zelf tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
4.1.    Het college heeft toegelicht dat de N215 een gebiedsontsluitingsweg is die is bedoeld om doorgaand verkeer met een hoge verkeersintensiteit en snelheid te faciliteren en die, anders dan de parallelweg, niet de functie heeft toegang te bieden aan aangrenzende percelen. Het verkeer dat van de N215 moet afslaan en de parallelweg moet kruisen om de aanliggende percelen via de aansluitingen te bereiken, zorgt voor verkeersonveilige situaties op zowel de N215 als op de parallelweg. Daarom is besloten tot het onttrekken van de aansluitingen. Ter vervanging daarvan zijn op enkele strategische locaties in de omgeving hoogwaardige aansluitingen gerealiseerd. De percelen van DG Infra en [verzoekster sub 2] blijven, zij het met enige omrijdafstand, bereikbaar. Het niet kunnen nemen van bochten is volgens het college een uitzondering. Hoewel de kans toeneemt dat het verkeer op de parallelweg vaker wordt geconfronteerd met zwaar verkeer, verwacht het college dat dit veilig kan worden afgewikkeld. Het college heeft verder toegelicht dat het naar aanleiding van de videobeelden die DG Infra en [verzoekster sub 2] bij de rechtbank hebben laten zien en hun bezwaren aanvullende maatregelen neemt. Uit een brief van 10 december 2025 blijkt dat het college passeerhavens zal aanleggen aan de parallelweg tussen hectometerpaal 26.0 en de rotonde bij bedrijvenpark Oostflakkee. Ook zal de erfontsluiting van [verzoekster sub 2] aan de oostzijde richting de Oudelandsedijk worden verbreed, zodat deze geschikt is voor landbouw- en vrachtverkeer. Dit is inmiddels gerealiseerd en de kosten heeft het college voor zijn rekening genomen. Op de zitting bij de voorzieningenrechter heeft het college aanvullend toegezegd de toegang van het perceel van DG Infra op zijn kosten te willen verbreden en verbeteren, omdat uit de getoonde beelden bleek dat voor groot vrachtverkeer de draai vanaf de parallelweg moeilijk is zonder de tussenberm of een deel van de rijbaan van de N215 daarvoor te gebruiken. Het heeft verder gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie.
4.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen erkennen dat de verkeersveiligheid erom vraagt dat de verbinding tussen de parallelweg en de N215 wordt onttrokken aan de openbaarheid. Op basis van wat op de zitting is besproken, constateert de voorzieningenrechter dat DG Infra en [verzoekster sub 2] een drietal knelpunten zien, namelijk 1) de ontsluiting van het perceel van DG Infra op de parallelweg die te smal is, zodat (grote) vrachtwagencombinaties het perceel niet veilig en schadeloos kunnen bereiken en verlaten, 2) het gebrek aan mogelijkheden voor vrachtwagencombinaties om elkaar veilig te passeren en de gevolgen van zwaar verkeer op de parallelweg voor overige verkeersdeelnemers en 3) de aanrijdroute van de parallelweg via de rotonde op de N498 met de Energiebaan. Het zijn met name deze knelpunten die volgens DG Infra en [verzoekster sub 2] tot gevolg hebben dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat hun belangen daarbij onvoldoende zijn meegenomen. De voorzieningenrechter stelt ook vast dat het college bereid is mee te denken aan oplossingen die de verkeersveiligheid bevorderen, maar dat het stelt dat niet elke oplossing die DG Infra en [verzoekster sub 2] aandragen veilig genoeg is.
4.3.    De voorzieningenrechter stelt verder voorop dat zij in dit geding moet beoordelen of het college de belangen zorgvuldig in kaart heeft gebracht en die zodanig heeft afgewogen dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen, zoals hiervoor onder 4 overwogen.
4.4.    Als gezegd is niet in geschil dat de belangen van een goede doorstroming en verkeersveiligheid zijn gediend met het onttrekken van de beide aansluitingen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college in zijn besluit voldoende in kaart heeft gebracht wat de gevolgen daarvan zijn voor de bereikbaarheid en de ontsluiting van de percelen van DG Infra en [verzoekster sub 2] en de verkeersveiligheid, mede ten gevolge van het verkeer dat zij genereren, op de parallelweg.
4.4.1. Voor zover DG Infra en [verzoekster sub 2] betogen dat hun bestemmingsverkeer door de onttrekking van de aansluitingen moet omrijden, geldt dat het college zich van dit belang rekenschap heeft gegeven en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de extra afstand van ongeveer 0,85 kilometer in het licht van de belangen die gemoeid zijn met die onttrekking voor hen niet tot onevenredige gevolgen leidt.
4.4.2. Ten aanzien van de gevolgen voor de afwikkeling van met name het zware verkeer via de rotonde en over de parallelweg is dat anders. Mede op basis van wat op de zitting is besproken, stelt de voorzieningenrechter vast dat het college niet beschikt over objectieve gegevens over de afwikkeling van (vracht)verkeer op de parallelweg en via de rotonde en daarom niet inzichtelijk heeft kunnen toelichten waarom de drie hiervoor genoemde knelpunten zich niet voordoen. Het college heeft onvoldoende in beeld hoeveel vrachtwagens en ander zwaar verkeer de parallelweg gebruiken en op welke momenten van de dag en in hoeverre dat de verkeersintensiteit en veilige verkeersafwikkeling op de parallelweg beïnvloedt. Op de zitting bleek ook dat het college geen duidelijk beeld heeft van de hoeveelheid door DG Infra en [verzoekster sub 2] gegenereerde verkeersbewegingen. Bovendien blijkt uit de videobeelden die op de zitting zijn getoond, dat als zwaar verkeer vanaf de rotonde op de N498 richting de parallelweg rijdt en vice versa en elkaar aldaar moet passeren, de manoeuvreer- en passeerruimte beperkt lijkt. Ook is niet ondenkbaar dat dit bij het verlaten van de rotonde de verkeersafwikkeling ter plaatste negatief kan beïnvloeden. De stelling van het college dat de beelden een worst-case scenario tonen is bij gebrek aan objectieve gegevens over wat de onttrekking van de aansluitingen betekent voor de verkeersintensiteit aldaar niet onderbouwd. Het college heeft op de zitting weliswaar gewezen op de alternatieve route via de ongelijkvloerse aantakking ter hoogte van de Langeweg en de Oudelandsedijk die in maart 2026 wordt opgeleverd, maar daargelaten dat het dit in zijn besluitvorming niet heeft betrokken, is nu ook onvoldoende inzichtelijk wat het effect van die aantakking is op de door DG Infra en [verzoekster sub 2] genoemde knelpunten.
4.4.3. Verder heeft het college onvoldoende aandacht besteed aan de ontsluiting van in ieder geval het perceel van DG Infra op de parallelweg. Het college heeft daarover op de zitting erkend dat de bocht naar dat perceel lastig is te maken. Weliswaar heeft het college toegezegd aanvullende maatregelen te zullen nemen, maar deze aanvullende maatregelen zijn vooralsnog niet op enigerlei wijze geborgd. Ook ten aanzien van de maatregelen die het college in zijn brief van 10 december 2025 heeft aangekondigd moet worden vastgesteld dat het die nu noodzakelijk acht, maar dat het besluit van 18 april 2024 daarvan geen blijk geeft.
4.5.    De slotsom moet zijn dat het college niet voldoende zorgvuldig in kaart heeft gebracht wat de gevolgen zijn van het besluit van 18 april 2024 voor de verkeersveiligheid op de parallelweg in verband met het verkeer van en naar DG Infra en [verzoekster sub 2] en voor de daarmee verband houdende verkeersafwikkeling. Daardoor zijn ook de in acht te nemen belangen niet voldoende helder in beeld gebracht.
Conclusie
5.       Dit betekent dan ook dat sprake is van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De rechtbank is ten onrechte tot een andere conclusie gekomen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het college op te dragen de geconstateerde gebreken te herstellen. Daarbij moet het college in ieder geval de beelden betrekken die DG Infra en [verzoekster sub 2] op de zitting hebben laten zien en ingaan op de door hen voorgestelde alternatieven. Het college kan daarbij verder betrekken dat ter hoogte van de Oudelandsedijk en de N215 een ongelijkvloerse kruising wordt gerealiseerd en moet ook ingaan op de vraag in hoeverre de rotonde op de N215, ter hoogte van hectometerpaal 21.9, een verkeersveilige oplossing is. In elk geval is nodig dat het college met objectiveerbare gegevens over de verkeersbewegingen van en naar DG Infra en [verzoekster sub 2] en de afwikkeling van het verkeer ter plaatse nader onderbouwt dat de voorgestelde maatregelen verkeersveilig zijn. Als op basis van deze belangen aanvullende maatregelen genomen moeten worden, moet het college van de borging daarvan in een nieuw te nemen besluit blijk geven. Het college krijgt twaalf weken om het zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen. Het college hoeft niet opnieuw de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van titel 3.4 van de Awb te doorlopen.
6.       Omdat het besluit van 18 april 2024 gebrekkig is, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
7.       In de einduitspraak zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        draagt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen, dit aan de voorzieningenrechter en partijen mede te delen en het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
II.       schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 18 april 2024, kenmerk: DOS-2023-0002686, PZH-2024-851192023 en DOS-2023-0002687, PZH-2024-851419199, totdat de voorzieningenrechter einduitspraak heeft gedaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026
1071