ECLI:NL:RVS:2026:1126

Raad van State

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
202407423/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Drop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek opheffing inreisverbod door Raad van State

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 7 maart 2024 het verzoek van appellant tot opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod af. Appellant stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 12 november 2024 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze afdeling heeft het hoger beroep beoordeeld en concludeert dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. De motivering van de rechtbank wordt overgenomen, en het hogerberoepschrift bevat geen vragen die een nadere motivering vereisen.

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer van de Raad van State op 27 februari 2026.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het inreisverbod en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202407423/1/V1.
Datum uitspraak: 27 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2024 in zaak nr. NL24.15103 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om opheffing van het tegen hem uitgevaardigde inreisverbod afgewezen.
Bij uitspraak van 12 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat in Leiderdorp, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De Afdeling neemt de motivering onder 6.1, 6.3, 6.7 en 6.8 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026
977