ECLI:NL:RVS:2026:1108

Raad van State

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
202502550/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 130 Wegenverkeerswet 1994Art. 131 Wegenverkeerswet 1994Art. 17 Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011Art. 8:67 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging oplegging Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer na weigering bloedonderzoek

Op 11 april 2024 werd appellant staande gehouden door de politie Eenheid Noord-Holland omdat hij een mobiele telefoon vasthield tijdens het rijden. Na het uitschrijven van een bekeuring werd een speekseltest afgenomen die wees op vermoedelijk cannabisgebruik. De verbalisant beval appellant zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek, maar appellant pakte de speekseltest van de motorfiets van de verbalisant en rende weg.

Het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) legde appellant op 30 april 2024 een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) op op grond van artikel 131 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 18 juli 2024 ongegrond werd verklaard door het CBR.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 18 juli 2024 ongegrond. Appellant voerde aan dat hij niet de bestuurder was die op 11 april 2024 werd staande gehouden. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de rechtbank dat de betwistingen onvoldoende zijn om te twijfelen aan de bevindingen in het proces-verbaal. De verbalisant heeft de bestuurder voldoende duidelijk omschreven.

Hoewel appellant op 5 november 2024 door de strafrechter werd vrijgesproken, leidt dit niet tot het vervallen van het vermoeden op grond van artikel 130 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, mede omdat de vrijspraak niet gemotiveerd is. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het besluit van het CBR. Proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het CBR tot oplegging van een EMD wordt bevestigd.

Uitspraak

202502550/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 31 maart 2025 in zaak nr. 24/5602 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR).
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], vertegenwoordigd door mr. N.M. van Boekel, advocaat te Amsterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant.
Bij besluit van 30 april 2024 heeft het CBR [appellant] een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) opgelegd. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 18 juli 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 juli 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1.       De bestuurder van de auto met kenteken […] is op 11 april 2024 staande gehouden door de politie Eenheid Noord-Holland, omdat hij een mobiele telefoon vasthield tijdens het besturen van een personenauto. Na het uitschrijven van een bekeuring is er een speekseltest afgenomen. Deze test wees uit dat de bestuurder vermoedelijk onder invloed van cannabis heeft gereden. De verbalisant heeft de bestuurder daarop bevolen zich aan een bloedonderzoek te onderwerpen. De bestuurder heeft vervolgens de speekseltest van de motorfiets van de verbalisant gepakt en is weggerend.
2.       Het CBR heeft [appellant] een EMD opgelegd naar aanleiding van een mededeling van de politie. In die mededeling staat dat [appellant] als bestuurder van een auto op 11 april 2024 heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Het CBR heeft [appellant] daarom bij besluit van 30 april 2024 op grond van artikel 131 van Pro de Wvw 1994 en artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) verplicht om mee te werken aan een EMD.
3.       [appellant] betwist dat hij op 11 april 2024 als bestuurder van de personenauto staande is gehouden.
4.       De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de betwistingen van [appellant] onvoldoende zijn om te twijfelen aan de bevindingen die in het proces-verbaal zijn opgenomen. De verbalisant heeft de bestuurder voldoende duidelijk omschreven, zodat het CBR ervan uit mocht gaan dat [appellant] de bestuurder van de personenauto was. Dat de strafrechter [appellant] op 5 november 2024 heeft vrijgesproken, brengt in dit geval niet met zich mee dat de grondslag aan het vermoeden, bedoeld in artikel 130 van Pro de Wvw 1994, is komen te ontvallen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de aantekening mondeling vonnis niet is voorzien van de motivering waarop de vrijspraak is gebaseerd. Met de aantekening wordt de inhoud van het proces-verbaal dat ten grondslag is gelegd aan de EMD daarom niet onderuit gehaald. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14 tot en met 18 en 20 tot en met 21 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
5.       Het hoger beroep is ongegrond.
6.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033