ECLI:NL:RVS:2026:1102

Raad van State

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
202502743/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 8:67 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing urgentieverklaring na echtscheiding en onvoldoende woningzoekgedrag

Appellant heeft op 21 november 2023 een urgentieverklaring aangevraagd voor zichzelf en drie kinderen, terwijl hij toen woonde met zijn ex-partner en drie kinderen in een huurwoning met drie slaapkamers. Na de aanvraag zijn nog twee kinderen vanuit Marokko naar Nederland gekomen.

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees de aanvraag op 26 januari 2024 af en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond op 8 augustus 2024. De rechtbank bevestigde deze besluiten en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.

De Afdeling bestuursrechtspraak volgt het oordeel van de rechtbank en het college dat appellant niet voldeed aan de vereiste reactieverplichting op het beschikbare woningaanbod gedurende drie maanden voorafgaand aan de aanvraag, zoals voorgeschreven in artikel 4:5, onderdeel m, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023. Daarnaast is het verlaten van een woning door echtscheiding geen urgent huisvestingsprobleem. Het college mocht ook aanvoeren dat appellant zijn woonprobleem op andere wijze kan oplossen, bijvoorbeeld door de woning op te eisen die bestemd is voor een gezin en waarvoor hij een medische urgentieverklaring heeft.

De hardheidsclausule hoefde niet te worden toegepast omdat de situatie van appellant niet zodanig schrijnend is dat een urgentieverklaring gerechtvaardigd is. De Afdeling oordeelt ook dat het college geen rekening hoefde te houden met de twee kinderen die na de aanvraag naar Nederland zijn gekomen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep tegen de afwijzing van de urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202502743/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2025 in zaak nr. 24/7696 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. A.R. Bissessur, advocaat te Den Haag, vergezeld door J. Lakjaa, tolk, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.W.A. van Driel.
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 8 augustus 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 augustus 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1.       [appellant] woonde ten tijde van de aanvraag, op 21 november 2023, samen met zijn drie kinderen, waarvan één minderjarig kind, en zijn ex-partner in een huurwoning met drie slaapkamers. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor zichzelf en drie kinderen. Na de aanvraag zijn nog twee kinderen, geboren uit het huwelijk met zijn echtgenote, vanuit Marokko naar Nederland gekomen.
2.       Het college heeft bij besluit van 8 augustus 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd. Het college heeft erop gewezen dat in artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (de Verordening) staat dat de aanvraag om urgentie wordt geweigerd indien één of meer weigeringsgronden van toepassing zijn. Op de situatie van [appellant] zijn meerdere weigeringsgronden van toepassing, te weten artikel 4:5, aanhef en onder b, c en m, van de Verordening. Een aanvraag om een urgentieverklaring wordt op grond van onderdeel m bijvoorbeeld afgewezen als een aanvrager niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod.
3.       De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen, alleen al omdat [appellant] niet drie maanden voor de aanvraag twee keer per week op het beschikbare woningaanbod heeft gereageerd als bedoeld in artikel 4:5, aanhef en onder m, van de Verordening. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen omdat het verlaten van een woning door echtscheiding geen urgent huisvestingsprobleem is. Ook mocht het college [appellant] tegenwerpen dat hij zijn woonprobleem op een andere manier kan oplossen, bijvoorbeeld door de woning op te eisen voor zichzelf en zijn kinderen. De woning is immers bestemd voor een gezin en met een medische urgentieverklaring aan [appellant] toegekend. De Afdeling volgt verder het oordeel van de rechtbank dat het college de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van [appellant] niet zo schrijnend is dat een urgentieverklaring moet worden afgegeven. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college geen rekening heeft hoeven houden met de twee kinderen die na de aanvraag naar Nederland zijn gekomen.
4.       Het hoger beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033