Art. 8:67 AwbArt. 4, tweede lid, Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing bezwaar tegen vergoeding toevoeging voor boetebesluit
Appellant, deelnemer aan het High Trust-programma, had als gemachtigde een reguliere toevoeging aangevraagd voor het verweer tegen een boetebesluit met een opgegeven boetebedrag van € 897,00. Na controle corrigeerde de raad voor rechtsbijstand het toegekende aantal punten en stelde vast dat de boete € 430,00 bedroeg, waardoor het belang onvoldoende was voor een reguliere toevoeging. De vergoeding werd vastgesteld op € 170,04 als Lichte Adviestoevoeging.
Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat door de raad ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet goed was geïnformeerd over de zittingsdatum en geen gelegenheid tot horen had gekregen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant op de hoogte was van de zittingsdatum en dat hij meerdere malen uitstel had gekregen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding blijft vastgesteld op € 170,04.
Uitspraak
202500099/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank OostBrabant van 22 november 2024 in zaak nr. 23/2587 in het geding tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 12:15 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
De raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra.
Bij besluit van 8 juli 2022 heeft de raad aan [appellant] een vergoeding van € 170,04 toegekend. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft de raad bij besluit van 24 augustus 2023 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 24 augustus 2023 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1. [appellant] neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Met een formulier van 7 februari 2020 heeft [appellant] als gemachtigde van [persoon] een reguliere toevoeging aangevraagd voor het verweer tegen een beslissing waarmee een boete is opgelegd (het boetebesluit). In het formulier heeft [appellant] vermeld dat het bedrag van de boete € 897,00 is.
2. Na een steekproefcontrole heeft de raad bij besluit van 8 juli 2022 het aan [appellant] toegekende aantal punten voor het verweer tegen het boetebesluit gecorrigeerd van 8 punten naar 1 punt. Volgens de raad blijkt uit het boetebesluit dat de hoogte van de boete niet € 897,00 maar € 430,00 bedroeg. Dat betekent dat het op geld waardeerbare belang minder is dan € 500,00 en dat dit, gelet op het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), onvoldoende is voor een reguliere toevoeging. De raad heeft de vergoeding op grond van een Lichte Adviestoevoeging (LAT) vastgesteld op een bedrag van € 170,04.
3. Uit wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder rechtsoverweging 12 tot en met 15 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Voor zover [appellant] betoogt dat hij in de veronderstelling was dat de zaak op een andere datum zou worden behandeld en de rechtbank hem niet de gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] kon weten dat de rechtbank zijn zaak op een zitting van 29 oktober 2024 zou behandelen. Hij heeft naar aanleiding van de vooraankondiging weliswaar gesteld dat hij op die datum niet aanwezig kon zijn, maar op 1 oktober 2024 heeft hij alsnog een definitieve uitnodiging ontvangen voor die zitting. Hij kon er niet zomaar van uitgaan dat een andere zitting zou worden gepland. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant] de rechtbank al drie keer om uitstel had gevraagd en dat ook drie keer uitstel was verleend.