ECLI:NL:RVS:2026:1083

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202300729/1/R2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 6:19 AwbArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetWet ruimtelijke ordeningAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bestemmingsplan Burgemeester Damenpark en Glanerbrook wegens onvoldoende onderbouwing parkeerdruk en evenementenregeling

De raad van de gemeente Sittard-Geleen stelde op 19 december 2022 het bestemmingsplan Burgemeester Damenpark en Glanerbrook vast, gericht op herinrichting van het sport- en recreatiecentrum met sloop, renovatie en nieuwbouw van sportfaciliteiten. Omwonenden maakten bezwaar tegen het plan vanwege mogelijke nadelige ruimtelijke gevolgen, geluidsoverlast, parkeerdruk en evenementen.

Na behandeling van het beroep vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak delen van het bestemmingsplan, met name de artikelen 11.2 en 11.3 over de evenementenregeling, en het besluit van 18 april 2024 over de herziening. De Afdeling oordeelt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de herziening niet leidt tot onevenredige parkeerdruk, mede omdat het maximaal aantal bezoekers bij evenementen is verhoogd zonder onderbouwing.

Andere bezwaren, zoals over de bouwhoogte van de overkapping, verplaatsing van de ijshal, uitbreiding van horeca en geluidsoverlast, worden verworpen. De Afdeling bevestigt dat de raad beleidsruimte heeft bij de locatiekeuze en dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, behalve waar het gaat om de evenementenregeling en parkeerdruk. De raad wordt opgedragen de vernietigde onderdelen binnen vier weken te verwerken in het plan.

Uitkomst: De Afdeling vernietigt delen van het bestemmingsplan en de herziening wegens onvoldoende onderbouwing van parkeerdruk en evenementenregeling, en draagt de raad op deze onderdelen te verwerken.

Uitspraak

202300729/1/R2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.       [appellant sub 1], wonend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
3.       [appellant sub 3], wonend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
4.       [appellant sub 4], wonend in Geleen, gemeente Sittard-Geleen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Sittard-Geleen,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Burgemeester Damenpark en Glanerbrook" (hierna: het plan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 18 april 2024 heeft de raad het gewijzigde bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Burgemeester Damenpark en Glanerbrook" (hierna: de herziening) vastgesteld.
[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben hierover zienswijzen ingediend.
[appellant sub 4], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 11 december 2025, waar [appellant sub 2A], [appellant sub 3], [appellant sub 4], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat in Maastricht, bijgestaan door J.G.M.P. Aussems en via een videoverbinding M. de Loos, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 6 juli 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2.       Het plan voorziet in de herinrichting van het Burgemeester Damenpark en het daarin gelegen sport- en recreatiecentrum Glanerbrook met bijbehorende faciliteiten door een deel van de bestaande bebouwing van het sportcomplex te slopen of te renoveren en nieuwe bebouwing te realiseren om een (top)sportaccommodatie met breedtesportfaciliteiten te realiseren. De bestaande ijshockeyhal wordt gesloopt en er wordt een nieuwe ijshal mogelijk gemaakt naast de bestaande ijs- en wielerbaan, die een overkapping krijgt, en er wordt voorzien in een nieuw 50 meter-binnenbad en buitenzwembaden. Ook voorziet het plan in de aanleg van diverse nieuwe spel- en sportvoorzieningen, zoals speeltoestellen, veldjes voor buitensporten en kleinschalige horecavoorzieningen, zoals een terras. De herziening voorziet in het herstellen van geconstateerde gebreken in artikel 11.3 van de planregels en maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk.
2.1.    De woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] grenzen aan de oost-, zuid- en noordoostzijde aan het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen dat het plan tot onevenredige ruimtelijke gevolgen leidt met nadelige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat door onder meer de mogelijkheid om evenementen te organiseren, de toegelaten horeca en de overkapping over de ijs- en wielerbaan.
2.2.    Het plan kent aan de gronden in het plangebied de enkelbestemmingen "Sport", "Groen" en "Verkeer - Parkeren" en de dubbelbestemmingen "Waarde - cultuurhistorie", "Waarde - Archeologie 2" en "Waarde - Archeologie 4" toe. Binnen deze bestemmingen liggen bouwvlakken met verschillende maatvoeringen. Aan de gronden waarop de ijs- en wielerbaan is voorzien, is in het plan ook de bouwaanduiding "specifieke bouwaanduiding - overkapping" toegekend. Verder is in het plan ter hoogte van de gronden met de verkeersbestemming de functieaanduiding "openbaar vervoer" toegekend.
Besluit van 18 april 2024
3.       De herziening bevat een nadere onderbouwing van de evenementenregeling wat betreft het aantal bezoekers bij evenementen, de duur van evenementen en de toegestane geluidbelasting. Verder is in artikel 2.1 van de regels van de herziening bepaald dat artikel 11.3 van de planregels vervalt en wordt vervangen door artikel 2.1 van de regels van de herziening. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.
Toetsingskader
4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Inspraak en participatie
5.       [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat de raad bij de vaststelling van het plan niet aan de inspraak- en participatieverplichtingen heeft voldaan. Daarover voeren zij aan dat inspraak- en participatiemogelijkheden pas zijn geboden nadat de raad zijn besluit had genomen, zodat omwonenden niet konden inspreken over het plan. Verder voeren [appellant sub 4] en [appellant sub 3] aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen, omdat het bij besluit van 19 december 2022 door de raad vastgestelde plan afwijkt van het (ontwerp)plan waarover omwonenden konden inspreken. Ook voeren zij aan dat de raad niet is geïnformeerd over de inbreng van omwonenden, omdat deze ontbraken in de raadsstukken en is ten onrechte ter afronding van de inspraak geen eindverslag gemaakt. Daarnaast heeft de raad de ingediende zienswijzen in de Nota van Zienswijzen volgens [appellant sub 4] onvolledig, selectief en ten dele onjuist beantwoord.
5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat hij aan de inspraak- en participatieverplichtingen heeft voldaan en het traject voor de vaststelling van het plan zorgvuldig heeft doorlopen. Dat de inspraak- en participatiemogelijkheden niet hebben geleid tot het door [appellant sub 4] en [appellant sub 3] gewenste resultaat betekent niet dat het plan niet had mogen worden vastgesteld.
5.2.    Voorafgaand aan de vaststelling van het plan heeft de raad aan omwonenden een concept voorontwerpplan voorgelegd en heeft een voorontwerpplan ter inzage gelegen. Ook hebben er verschillende bijeenkomsten met omwonenden plaatsgevonden, waarin omwonenden konden inspreken over het voorontwerpplan. Het ontwerpplan heeft vanaf 6 juli 2022 zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om gedurende deze periode schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen.
5.3.    De raad kan bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen.
In dit geval heeft de raad de overkapping van de ijs- en wielerbaan met 3 m verlaagd ten opzichte van de hoogte in het ontwerpplan. De Afdeling ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op wezenlijke punten is gewijzigd ten opzichte van het ontwerp. Daarom behoefde de wettelijke procedure niet opnieuw te worden doorlopen.
5.4.    Verder heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat hij aan de inspraak- en participatieverplichtingen heeft voldaan.
Allereerst volgt uit de inspraakverordening voor de raad geen andere verplichting tot het bieden van inspraak dan het volgen van de in de Wet ruimtelijke ordening voorgeschreven procedure voor de vaststelling van een bestemmingsplan. Die procedure is hier gevolgd. Het ontwerpplan is namelijk ter inzage gelegd en tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan is eenieder in de gelegenheid gesteld om gedurende de wettelijke termijn schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Ten tweede is van de inspraak bij wijze van eindverslag een Nota van zienswijzen gemaakt. De raad is in de Nota van Zienswijzen ingegaan op de ingediende zienswijzen. Dat, zoals op de zitting is gesteld, in de Nota van zienswijzen is verwezen naar rapporten, maakt niet dat de Nota van zienswijzen onvolledig, selectief en ten dele onjuist is. Ook betekent het feit dat de zienswijzen geen aanleiding gaven tot een gewijzigde vaststelling van het plan, niet dat de raad deze zienswijzen niet in zijn overwegingen heeft betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieven
6.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de raad voor een alternatieve locatie had moeten kiezen, omdat het sportcomplex waarin het plan voorziet een te grote impact heeft op de directe omgeving van het plangebied. Zo is Sportzone Limburg volgens hen een geschiktere locatie om een sportcomplex van deze omvang te realiseren, omdat die locatie goed bereikbaar is, er veel mogelijkheden zijn en nauwelijks overlast is te verwachten.
6.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij heeft mogen besluiten voor deze locatie, omdat de Sportzone geen geschikte keuze is gebleken, met name vanwege de aanzienlijk hogere kosten die daarmee gepaard zouden gaan. Ook is Glanerbrook een geschiktere keuze, omdat het een meer centrale ligging heeft. Daarnaast bevinden de sportfaciliteiten van Glanerbrook zich al lang ter plaatse en is er geen sprake van het realiseren van een nieuwe sportfaciliteit, maar de vervanging van een reeds bestaande sportfaciliteit. De ijshal, die zowel door ijshockeyers als kunstijsschaatsers en recreanten wordt gebruikt, voorziet al decennia in een duidelijke regionale behoefte. De raad hecht veel waarde aan deze (boven)regionale voorziening.
6.2.    De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.
6.3.    In aanmerking genomen dat in het plangebied reeds het Burgemeester Damenpark en het daarin gelegen sport- en recreatiecentrum Glanerbrook met bijbehorende faciliteiten is gevestigd en de nieuwbouw ter vervanging van de bestaande faciliteiten daarbinnen wordt gerealiseerd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling op het standpunt mogen stellen dat de door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voorgestelde alternatieve locatie geen geschiktere locatie is. Daarbij betrekt de Afdeling ook dat de raad heeft toegelicht dat de Sportzone geen geschikte locatie is, omdat met deze locatie aanzienlijk hogere kosten gepaard gaan en Glanerbrook de voorkeur verdient vanwege de meer centrale ligging. Verder stelt de Afdeling vast dat de gemeente de gronden en de bebouwing in het plangebied in eigendom heeft.
De raad heeft aldus het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en toereikend gemotiveerd waarom niet voor dit alternatief is gekozen.
Het betoog slaagt niet.
Maatvoering en bouwhoogte van de overkapping van de ijs- en wielerbaan
7.       [appellant sub 4] betoogt dat de maatvoering en bouwhoogte van de overkapping van de ijs- en wielerbaan en de mogelijkheid om een bouwwerk met maximaal 10% te vergroten in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
7.1.    De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1424, onder 11.2 heeft geoordeeld dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de overkapping die het plan mogelijk maakt ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat aannemelijk is dat het zicht op de overkapping vanuit de woningen in de directe omgeving van het plangebied beperkt zal zijn en sluit de maximaal toegestane bouwhoogte van 15 m aan bij de bebouwing in het plangebied en de bestaande bebouwing aan de Kummenaedestraat. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Daarbij betrekt de Afdeling dat de omstandigheid dat de maatvoering en bouwhoogte van de overkapping, zoals [appellant sub 4] op de zitting heeft gesteld, feitelijk kleiner en lager is, niet afdoet aan het oordeel van de voorzieningenrechter dat de overkapping die het plan mogelijk maakt ruimtelijk aanvaardbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Verplaatsen ijshal
8.       [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening, omdat de ijshal in het plangebied wordt verplaatst. De nieuwe ijshal kan ook op de locatie van de bestaande ijshal worden gerealiseerd.
8.1.    De raad heeft op de zitting toegelicht dat de bestaande ijshal open moet blijven totdat de nieuwe ijshal is gerealiseerd.
8.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de plaats van de nieuwe ijshal in het plan aanvaardbaar mogen achten. De nieuwe ijshal wordt een kwartslag gedraaid naast de bestaande ijshal en sluit aan bij de overige, bestaande en vernieuwde bebouwing in het plangebied en is niet zo veel dichter bij de woningen van onder andere [appellant sub 1] en [appellant sub 3] gesitueerd, dat dit onevenredige gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat. Verder sluit de maximaal toegestane bouwhoogte van de nieuwe ijshal van 15 m aan bij de bebouwing in het plangebied en de bestaande bebouwing aan de Kummenaedestraat. Dat de raad er ook voor had kunnen kiezen de ijshal op de locatie van de bestaande ijshal te realiseren, maakt niet dat de raad niet heeft mogen kiezen voor de plaats van de nieuwe ijshal.
Het betoog slaagt niet.
Uitbreiding horeca
9.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening, omdat de mogelijkheden voor het exploiteren van horeca in het plangebied ten onrechte worden uitgebreid.
9.1.    [appellant sub 4] heeft op de zitting zijn beroepsgrond over de uitbreiding van de mogelijkheden voor het exploiteren van horeca in het plangebied, ingetrokken.
9.2.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat ingevolge artikel 4.1 van de planregels ter plaatse van de bestemming "Sport" slechts ondergeschikte horeca planologisch mogelijk wordt gemaakt. Verder geldt als hoofdregel dat de horeca-activiteiten moeten zijn gekoppeld aan de sportfaciliteiten, zodat geen zelfstandige horeca-exploitatie kan plaatsvinden.
9.3.    De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1424, onder 10.2 heeft geoordeeld dat het woon- en leefklimaat van de omwonenden niet onevenredig wordt aangetast. De raad heeft zich namelijk op het standpunt kunnen stellen dat de horeca in het plangebied niet tot zodanige overlast leidt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er voldoende beperkingen zijn gesteld aan de horeca in het plangebied en mag de horeca op grond van het plan uitsluitend ondergeschikt zijn aan de sport- en speelvoorzieningen en dus geen zelfstandige horeca zijn. Omdat ondergeschikte horeca uitsluitend is toegestaan op de gronden waarop een sportbestemming rust, zijn de horecavoorzieningen bovendien geconcentreerd op een deel van het plangebied. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Dat bezoekers die niet deelnemen aan een sportactiviteit de toegang niet wordt geweigerd, doet niet af aan het feit dat de horeca zelf ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder b en c, van de planregels ondergeschikt moet zijn en ten dienste van de sport- en speelvoorzieningen.
Het betoog slaagt niet.
Onevenredige gevolgen voor het parkgedeelte
10.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het plan in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening, omdat momenteel een deel van het plangebied in gebruik is als openbaar park en dit deel door de aanleg van de ijs- en wielerbaan en de geluidswal wordt verkleind. De gemeente heeft volgens hen weliswaar geprobeerd om het park aantrekkelijk te maken, maar de daartoe getroffen maatregelen volstaan volgens hen niet. Onder andere niet, omdat wandelpaden vooral door (brom)fietsers worden gebruikt en er  overlast wordt veroorzaakt door het gebruik in het park van alcohol, verdovende middelen en meegebrachte muziekapparatuur. Volgens [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] moeten er regels worden opgesteld en maatregelen worden getroffen om het park te beschermen en overlast te beperken.
10.1.  De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan ook voor het parkgedeelte niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het 50 meter-wedstrijdbad op de locatie van de vroegere parkeerplaats is voorzien, zodat ten behoeve van de realisering hiervan het parkgedeelte niet wordt verkleind. De nieuwe ijshal is voor een deel op het parkgedeelte in het plangebied voorzien, zodat ten behoeve van de realisering van de nieuwe ijshal het parkgedeelte wordt verkleind, maar volgens de raad lag dit gedeelte van het park reeds tussen de bebouwing.
10.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het parkgedeelte niet onevenredig wordt verkleind. De raad mocht het publieke belang van de nieuwe ijshal als publieke voorziening zwaarder laten wegen dan het behoud van de omvang van het park. Anders dan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen, wordt het park niet verkleind ten behoeve van het voorziene 50 meter-wedstrijdbad. Wat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voor het overige over het park hebben aangevoerd, zijn kwesties van handhaving en optreden in het kader van de openbare orde die niet in deze procedure aan de orde kunnen komen.
Het betoog slaagt niet.
Geluidsoverlast
11.     [appellant sub 4], [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] betogen dat het plan in de reguliere situatie onevenredige geluidsoverlast veroorzaakt.
[appellant sub 4] voert aan dat bij het bepalen van de maximale geluidbelasting in het plan en de herziening niet is meegenomen dat door de overkapping van de ijs- en wielerbaan het geluid niet wordt tegengehouden, maar juist in de richting van omliggende woningen wordt gekaatst. Verder voert [appellant sub 4] aan dat geluidsbronnen, zoals buiten opgestelde ventilatoren, accu-opstellingen en de omroepinstallatie niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek. Ook zijn geluidsbronnen, zoals ventilatoren en koelinstallaties, geplaatst op locaties die niet overeenkomen met de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek, waardoor omwonenden overlast ervaren.
11.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het plan geen onevenredige geluidsoverlast veroorzaakt. Hoewel met betrekking tot de overkapping van de ijs- en wielerbaan volgens de raad bij de beoordeling van de vergunningaanvraag moet worden beoordeeld of aan de (geluid)normen wordt voldaan, zijn de akoestische gevolgen van de overkapte ijs- en wielerbaan in het akoestisch onderzoek beoordeeld. Ook wordt ter plaatse van de woningen van [appellant sub 4], [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] voldaan aan de richtwaarden uit de VNG-publicatie.
11.2.  De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1424, onder 12.6 heeft geoordeeld dat de raad zich voor de beoordeling van de gevolgen van het plan voor de geluidbelasting op woningen in de omgeving van het plan mocht baseren op het akoestisch onderzoek en op basis van dat onderzoek mocht vaststellen dat het woon- en leefklimaat niet onaanvaardbaar negatieve gevolgen van het plan door geluid zal ondervinden. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in de betogen van [appellant sub 4] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] geen concrete aanknopingspunten gezien dat aan de juistheid van de conclusies of volledigheid van het uitgevoerde akoestisch onderzoek moet worden getwijfeld. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat bij de beoordeling van de geluidemissie in de toekomstige situatie is uitgegaan van een overkapping boven de banen met een open middenterrein en open galerijen aan de buitenzijde. Daargelaten hoe de overkapping eruit komt te zien, vermindert de geluidemissie van het gebruik van de ijs- en wielerbaan door de overkapping en kan aan de geluidnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer worden voldaan. Gelet hierop heeft de raad zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat de geluidbelasting van de ijs- en wielerbaan door de overkapping afneemt. De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Daarbij betrekt de Afdeling het volgende.
Voor zover [appellant sub 4] aanvoert dat geluidsbronnen niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek en geluidsbronnen zijn geplaatst op locaties die niet overeenkomen met de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek, overweegt de Afdeling dat in het akoestisch onderzoek mocht worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ter plaatse van de ijs- en wielerbaan incidenteel gebruik wordt gemaakt van een omroepinstallatie voor gesproken berichten en noodoproepen. Anders dan [appellant sub 4] stelt, is de omroepinstallatie dus wel meegenomen in het akoestisch onderzoek. Tevens is voor de geluidemissie van het gebruik van de ijs- en wielerbaan uitgegaan van een worst case scenario. Verder is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van gangbare installaties met emissiepunten boven de centrale hal. [appellant sub 4] heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet kon worden uitgegaan van gangbare installaties met emissiepunten boven de centrale hal. Naar het oordeel van de Afdeling is in het akoestisch onderzoek uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Als in de praktijk geluidnormen worden overtreden, is dat een kwestie van handhaving die niet in deze procedure aan de orde kan komen.
Het betoog slaagt niet.
Parkeeroverlast
12.     [appellant sub 4], [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de parkeerdruk onevenredig zal toenemen als gevolg van het plan. [appellant sub 4] betoogt dat de herziening dit probleem niet verhelpt. Daarover voert hij aan dat het in artikel 2.1, onder i, van de regels van de herziening toegestane maximaal aantal bezoekers van de evenementen van 6.000 per dag niet is meegenomen in het verkeers- en parkeeronderzoek. Ook voert [appellant sub 4] aan dat de verhoogde verkeers- en parkeerdruk tijdens een winterevenement van een aaneengesloten periode van 31 dagen onaanvaardbaar is.
12.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat de parkeerdruk niet onevenredig zal toenemen als gevolg van het plan en de herziening. In het rapport "Sportpark Glanerbrook" van Royal HaskoningDHV van 15 maart 2021 zijn de gevolgen van het plan voor de verkeers- en parkeersituatie onderzocht. Daaruit volgt dat zelfs op de piekmomenten kan worden voorzien in de benodigde parkeerplaatsen. De beoogde parkeercapaciteit bij (sport)evenementen is dan ook toereikend. De raad heeft geen aanleiding gezien om aan de uitkomsten van het rapport te twijfelen.
12.2.  De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1424, onder 13.2 heeft geoordeeld dat het plan voor de beoogde ontwikkeling voorziet in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Daarbij heeft de voorzieningenrechter betrokken dat uit het rapport "Sportpark Glanerbrook" van Royal HaskoningDHV van 15 maart 2021 blijkt dat in de reguliere situatie, waarin er geen sportwedstrijden op het sportcomplex worden georganiseerd, wordt voldaan aan de geldende parkeernormen.
Ook stelt de Afdeling vast dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak, onder 13.3 heeft geoordeeld dat het gebruik en de openstelling van het overloopterrein voldoende is betrokken in de beoordeling van de parkeercapaciteit. Daarbij heeft de voorzieningenrechter overwogen dat in het rapport staat dat bij het sportcentrum gratis geparkeerd kan worden en het parkeerterrein bij sportpark Glanerbrook ook beperkt wordt gebruikt als overloopgebied voor bezoekers van het centrum van Geleen. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat uit het plan volgt dat zowel de parkeerplaats als het overloopterrein beschikbaar zijn voor parkeren.
De Afdeling ziet geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
12.3.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad evenwel niet gemotiveerd dat de herziening niet zal leiden tot onevenredige parkeerdruk. Ten eerste staat in het rapport "Sportpark Glanerbrook" van Royal HaskoningDHV van 15 maart 2021 dat de wedstrijden van ijshockeyclub Eaters Geleen met 2.600 bezoekers maatgevend zijn voor de berekening van de parkeerbehoefte bij (sport)evenementen, terwijl de raad ingevolge artikel 2.1, onder i, van de regels van de herziening uitgaat van evenementen met een maximaal aantal bezoekers van 6.000 per dag. De raad heeft niet onderbouwd dat het maximaal aantal bezoekers van evenementen van 6.000 per dag niet zal leiden tot onevenredige parkeeroverlast.
Hierbij acht de Afdeling het relevant dat het gaat om 48 dagen per jaar waarop evenementen met een maximaal aantal bezoekers van 6.000 per dag kunnen worden georganiseerd, nu op grond van artikel 2.1, onder b, van de regels van de herziening het totaal aantal evenementendagen per kalanderjaar voor evenementen categorie III 17 dagen bedraagt en een winterevenement van een aaneengesloten periode van 31 dagen is toegestaan.
De raad heeft op de zitting nog gesteld dat het parkeren en de parkeerdruk worden gereguleerd in de evenementenvergunning op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Sittard-Geleen (hierna: de APV), zodat eventuele parkeerproblematiek aan de orde komt middels een dergelijke vergunning. De Afdeling overweegt dat de APV niet is gericht op de regulering van parkeeroverlast van evenementen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5245, is de APV met name gericht op het handhaven van de openbare orde, terwijl de regulering in het bestemmingsplan een goede ruimtelijke ordening dient. Een verplichting voor een evenementenvergunning op grond van de APV verzekert dan ook niet dat een onevenredige parkeerdruk als gevolg van de herziening wordt voorkomen.
Het betoog slaagt in zoverre.
Het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] is gegrond. Het besluit van 19 december 2022 wordt wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigd, voor zover het betreft de artikelen 11.2 en 11.3 van de planregels. Het besluit van 18 april 2024 wordt wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigd.
Evenementenregeling
13.     [appellant sub 4] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat de herziening niet alleen tot onaanvaardbare parkeer- en verkeersdruk voor de omgeving zal leiden. Volgens hen zal het aantal evenementen dat met de herziening mogelijk wordt gemaakt naar omvang en duur leiden tot een onevenredige belasting en structurele verstoring van rust voor hen als omwonenden. [appellant sub 4] wijst erop dat een periode van 31 aaneengesloten dagen betekent dat omwonenden gedurende een volledige maand geconfronteerd worden met een situatie die vergelijkbaar is met een festivalterrein, zonder dat hij daartegen effectieve rechtsbescherming heeft, omdat de gemeente heeft nagelaten om een toetsbaar kader te creëren waarin de duur, omvang en geluidsbelasting van dergelijke evenementen wordt begrensd. Daarmee is  sprake van een onevenredige verruiming van gebruiksmogelijkheden die niet is onderbouwd met een milieutoets en die de belangen van omwonenden ernstig schaadt. De maximale geluidsbelasting (LCeq 69 dB(C)voor deze evenementen is niet getoetst aan de wettelijke normen en staat een veel hogere laagfrequente geluidbelasting toe dan de generieke norm in het bestemmingsplan. Dit veroorzaakt binnenshuis ernstige hinder, die niet is  beoordeeld in het akoestisch onderzoek. Verder heeft [appellant sub 3] op de zitting aangevoerd dat de geluidsnormen niet zijn gebaseerd op de huidige stand der techniek. Zoals hiervoor onder 12.3 overwogen, zal de Afdeling de artikelen 11.2 en 11.3 van de planregels en de herziening vernietigen. Daarmee is de evenementenregeling van de baan. De Afdeling ziet hierin aanleiding om de beroepsgronden die over de evenementenregeling van artikel 11.3 van de planregels en artikel 2.1 van de regels van de herziening, gaan, niet in deze procedure te bespreken.
Financieel-economische uitvoerbaarheid
14.     [appellant sub 4] en [appellant sub 3] betogen dat het plan niet financieel-economisch uitvoerbaar is, omdat het plan hoge kosten met zich brengt, waaronder energiekosten. Volgens hen kan de ijs- en wielerbaan dan ook niet rendabel worden geëxploiteerd.
14.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het plan uitvoerbaar is. De ver- en nieuwbouw wordt door en voor rekening van de gemeente gerealiseerd. Voor de realisatie van het sportpark is ruimte gemaakt in de gemeentelijke begroting. Voor de exploitatie van het sportcomplex wordt gestreefd naar een budgetneutrale exploitatie, maar de raad heeft ook een besluit genomen over het exploitatiebudget ten laste van de begroting. Het betreft immers een maatschappelijke voorziening waarvan de inwoners zoveel mogelijk gebruik moeten kunnen maken op basis van betaalbare entreeprijzen.
14.2.  Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.
14.3.  In paragraaf 6.1 van de toelichting van het plan staat dat onderzoek is ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan, waarbij inzicht is verkregen in de opbrengsten en kosten die hiermee verband houden. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd, is er sprake van een dekkende exploitatie. De door het plan rechtstreeks mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn in handen van de gemeente. Het plan is derhalve economisch uitvoerbaar.
De Afdeling ziet in wat [appellant sub 4] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op het standpunt had moeten stellen dat het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
15.     In wat voor het overige is aangevoerd in het kader van het woon- en leefklimaat bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening en het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast.
Conclusie
16.     Het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] is gegrond. Het besluit van 19 december 2022 wordt wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigd, voor zover het betreft de artikelen 11.2 en 11.3 van de planregels. Het besluit van 18 april 2024 wordt wegens strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb vernietigd.
17.     Bovenstaande betekent dat de artikelen 11.2 en 11.3 van de planregels over evenementen uit het plan van 19 december 2022 komen te vervallen, maar dat het plan voor het overige in stand blijft. De herziening komt in zijn geheel te vervallen.
18.     De Afdeling ziet aanleiding om de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Proceskosten
19.     De raad moet de proceskosten van [appellant sub 4] vergoeden. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 3] te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Sittard-Geleen van 19 december 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Burgemeester Damenpark en Glanerbrook" gegrond;
II.       verklaart het beroep van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het besluit van de raad van de gemeente Sittard-Geleen van 18 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herziening bestemmingsplan Burgemeester Damenpark en Glanerbrook" gegrond;
III.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sittard-Geleen van 19 december 2022, voor zover het betreft artikelen 11.2 en 11.3 van de regels van het bestemmingsplan "Burgemeester Damenpark en Glanerbrook";
IV.     vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Sittard-Geleen van 18 april 2024;
V.      draagt de raad van de gemeente Sittard-Geleen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen III en IV worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VI.     veroordeelt de raad van de gemeente Sittard-Geleen tot vergoeding van bij [appellant sub 4] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 535,15, waarvan € 467,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat de raad van de gemeente Sittard-Geleen aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a.       € 184,00 aan [appellant sub 1];
b.       € 184,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
c.       € 184,00 aan [appellant sub 3];
d.       € 184,00 aan [appellant sub 4].
Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.
w.g. Scholten-Hinloopen
voorzitter
w.g. Scheele
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
723-1150