AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuurlijke boetes voor verboden publieksreclame geneesmiddelen tijdens COVID-19 pandemie
De minister van Volksgezondheid legde aan [appellante sub 2], eigenaar van de website zelfzorgcovid19.nl, twee bestuurlijke boetes op wegens het maken van verboden publieksreclame voor de receptgeneesmiddelen Hydroxychloroquine (HCQ) en Ivermectine ter behandeling van COVID-19. De Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd startte een onderzoek naar aanleiding van meldingen over de website en stelde vast dat de uitingen niet in overeenstemming waren met de officiële productkenmerken.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van [appellante sub 2] gegrond en vernietigde het boetebesluit, omdat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de bijzondere omstandigheden van de COVID-19-pandemie en de intenties van [appellante sub 2]. De minister en [appellante sub 2] stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de uitingen op de website kwalificeren als verboden publieksreclame volgens de Geneesmiddelenwet en dat de beperking van de vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is vanwege het belang van volksgezondheid. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel over de bijzondere omstandigheden en bevestigt dat de boetes proportioneel en passend zijn opgelegd. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond, en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de bestuurlijke boetes voor verboden publieksreclame en vernietigt het vonnis van de rechtbank.
Uitspraak
202405818/1/A2.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister),
2. [appellante sub 2], gevestigd in [plaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2024 in zaak nr. 23/649 in het geding tussen:
[appellante sub 2]
en
de minister voor Medische Zorg.
Procesverloop
Bij besluit van 12 april 2022 heeft de minister [appellante sub 2] een bestuurlijke boete van € 3.750,00 en een bestuurlijke boete van € 2.625,00 opgelegd.
Bij besluit van 22 december 2022 heeft de minister het door [appellante sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellante sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 12 april 2022 herroepen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[appellante sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep ingediend.
[appellante sub 2] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 november 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. S.G. ten Hertog en A.A.J.M. van Gansewinkel, en [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B.M.J. van der Meulen, zijn verschenen.
Overwegingen
Wettelijk kader
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellante sub 2] is eigenaar van de website www.zelfzorgcovid19.nl (hierna: de website). Naar aanleiding van meldingen over de website is de Inspectie voor de Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de Inspectie) een onderzoek gestart. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een boeterapport van 10 februari 2022 (hierna: het boeterapport).
Besluiten van de minister
3. De Inspectie heeft geconstateerd dat [appellante sub 2] in de periode van 7 april 2020 tot en met 21 juli 2020 op de website publieksreclame heeft gemaakt voor de receptgeneesmiddelen Hydroxychloroquine (hierna: HCQ) en Ivermectine ter behandeling van COVID-19. Op de website staan vier artikelen, een voorbeeldbrief ter overhandiging aan de eigen huisarts en een video met uitingen over de receptgeneesmiddelen HCQ en Ivermectine (hierna tezamen: de uitingen). Volgens de minister heeft [appellante sub 2] daarmee artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet overtreden, aangezien publieksreclame verboden is voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld. De minister heeft daarom een bestuurlijke boete van € 3.750,00 aan [appellante sub 2] opgelegd.
4. De Inspectie heeft ook geconstateerd dat niet alle aspecten van de uitingen in overeenstemming zijn met de gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken van de geneesmiddelen zijn opgenomen. Volgens de minister heeft [appellante sub 2] daarmee artikel 84, tweede lid, tweede volzin, van de Geneesmiddelenwet overtreden. De minister heeft daarom een bestuurlijke boete van € 2.625,00 aan [appellante sub 2] opgelegd.
Uitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft in de kern onder meer het volgende geoordeeld.
5.1. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de uitingen op de website bedoeld ter bevordering van het voorschrijven en/of gebruiken van de geneesmiddelen HCQ en Ivermectine. De uitingen kwalificeren als (publieks)reclame als bedoeld in de Geneesmiddelenwet.
5.2. Hoewel [appellante sub 2] met het (publieks)reclameverbod wordt beperkt in haar vrijheid van meningsuiting, als bedoeld in artikel 10 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is deze beperking gerechtvaardigd.
5.3. Omdat [appellante sub 2] niet betwist dat HCQ en Ivermectine geneesmiddelen zijn die uitsluitend op recept beschikbaar zijn en de informatie in de uitingen niet in overeenstemming is met de gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken van de desbetreffende geneesmiddelen zijn opgenomen, staat vast dat [appellante sub 2] met de uitingen artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet en artikel 84, tweede lid, tweede volzin, van die wet heeft overtreden.
5.4. De minister heeft geen gebruik kunnen maken van de bevoegdheid om [appellante sub 2] boetes op te leggen. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van het geval. Tegen de achtergrond van een wereldwijde pandemie en gelet op alle omstandigheden rondom de positie en het concrete handelen van [appellante sub 2], zijn de boetes in dit geval niet op hun plaats. De minister had ook een minder verdergaande maatregel kunnen opleggen, zoals een waarschuwing, aldus de rechtbank.
Incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2]
Overtreding van de Geneesmiddelenwet
6. [appellante sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitingen kwalificeren als reclame als bedoeld in de Geneesmiddelenwet. Het doel van de uitingen was niet om de omzet van de geneesmiddelen te beïnvloeden. Niet iedere positieve uiting over een geneesmiddel kan worden aangemerkt als reclame.
6.1. Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder xx, van de Geneesmiddelenwet wordt onder reclame verstaan: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe. Met publieksreclame wordt volgens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder ijij, bedoeld: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsoefenaren, als bedoeld in artikel 82, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet, is bestemd.
6.2. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 5 mei 2011, ECLI:EU:C:2011:275 (C-316/09; MDS/Merckle), punten 29-33, volgt dat het begrip "reclame voor geneesmiddelen" ruim wordt opgevat. Daarover is in dat arrest het volgende overwogen.
In het bijzonder voor geneesmiddelen die uitsluitend op medisch recept mogen worden verstrekt, vindt de ruime opvatting van het begrip reclame steun in de voornaamste doelstelling van de Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (hierna: de Richtlijn), namelijk de bescherming van de volksgezondheid. Gelet op de ernstige gevolgen die een verkeerd of overmatig gebruik van dergelijke geneesmiddelen voor de gezondheid kan hebben, rechtvaardigt deze doelstelling een ruime uitleg van het verbod op reclame voor geneesmiddelen. Uit artikel 86, eerste lid, van de Richtlijn blijkt dat een reclameboodschap haar aard in wezen ontleent aan de doelstelling die zij nastreeft. Deze doelstelling vormt aldus het doorslaggevende element om reclame van louter informatie te onderscheiden. De definitie van artikel 86, eerste lid, van de Richtlijn sluit in beginsel niet uit dat publicaties of boodschappen die enkel objectieve informatie bevatten, als reclame kunnen worden beschouwd. Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, maakt zij reclame in de zin van de Richtlijn. Een zuiver informatieve mededeling zonder publicitair doel valt daarentegen niet onder de bepalingen van de Richtlijn inzake reclame voor geneesmiddelen. Wanneer de informatie een letterlijke en onverkorte weergave is van de bijsluiter of van de samenvatting van de productkenmerken, zoals door de bevoegde autoriteit inzake geneesmiddelen goedgekeurd, en niet gepaard gaat met enig bijkomend element dat voor een kwalificatie als reclame pleit, is geen sprake van reclame. Of het verstrekken van bepaalde informatie al dan niet een reclamedoelstelling nastreeft, moet door de nationale rechter worden vastgesteld op basis van een concreet onderzoek van alle relevante omstandigheden van het betrokken geval, aldus het Hof.
6.3. In het boeterapport is vermeld dat op de website uitingen zijn geplaatst over de geneesmiddelen HCQ en Ivermectine. Bij het boeterapport zijn printscreens van de website bijgevoegd. Zo is bij de printscreen van het artikel "Wil dit kabinet geen geneesmiddel tegen COVID-19?" onder meer de volgende uiting te lezen: "hieruit is onomstotelijk komen vast te staan dat ivermectine erg effectief is tegen covid-19." Deze uiting belicht nadrukkelijk de gestelde positieve aspecten van een behandeling met Ivermectine. In andere uitingen, zoals weergegeven in de printscreens bij het boeterapport, worden lezers opgeroepen om via hun huisarts te bezien of het gebruik ervan voor hen nut heeft in geval van een COVID-19 infectie. In de video en de voorbeeldbrief die aan de eigen huisarts kan worden gegeven worden huisartsen bijvoorbeeld rechtstreeks aangesproken en opgeroepen mee te doen met het COVID-19 protocol, waarbij HCQ en Ivermectine (off-label) worden ingezet bij een COVID-19 infectie. In de brief voor de huisarts staat onder andere het volgende: "Als huisarts heeft U een eed afgelegd: "Ik zweer dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten. Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen." Dat is precies wat ik van U verwacht! Concreet betekent dat momenteel bij COVID-19 het in een vroeg stadium behandelen met off-label behandelprotocollen. Het vroegtijdig stoppen van virusreplicatie voorkomt schade aan organen en ziekenhuisopname. Er zijn diverse off-label behandelingen die hiervoor wereldwijd succesvol worden toegepast. Nieuwe informatie met aanvullende bewijzen hierover kunt u vinden in bijlage 2 bij deze brief." In de brief staat verder: "Ik ben op dit moment nog gezond maar mocht ik onverhoopt COVID-19 krijgen dan verwacht ik dat U er alles aan zult doen mij te helpen genezen. Ik vraag U daarom om mij met één van de genoemde opties te behandelen indien ik COVID-19 positief getest wordt." In bijlage 2 bij de brief staat het volgende: "Een recent outpatient onderzoek met alleen HCQ in Saudi Arabië laat hele goede resultaten zien in het voorkomen van ziekenhuisopname. […] Protocol ivermectine […] Het misverstand is hier dat men dacht dat de hoge dosis in dit experiment noodzakelijk was voor het resultaat. Dit is niet zo. Ook met een lagere dosis is ivermectine buitengewoon effectief."
De Afdeling stelt vast dat deze uitingen niet alleen informatief van aard zijn. Ze sporen patiënten aan om de middelen HCQ en Ivermectine te gebruiken en met het oog daarop hun huisartsen te overtuigen die middelen aan hen voor te schrijven. Dat, naar [appellante sub 2] heeft gesteld, zij met de uitingen beoogde te informeren en een maatschappelijke discussie op gang wilde brengen en zij de geneesmiddelen HCQ en Ivermectine niet zelf heeft verkocht en ook anderszins geen commercieel doel of belang had bij de verkoop en het gebruik van deze middelen, doet daaraan niet af. De nadruk in de uitingen ligt in het in wervende bewoordingen benadrukken van gestelde positieve eigenschappen van de geneesmiddelen. Dit betekent dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitingen kwalificeren als reclame als bedoeld in de Geneesmiddelenwet. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Vrijheid van meningsuiting
7. [appellante sub 2] betoogt verder dat de inbreuk op haar vrijheid van meningsuiting niet gerechtvaardigd was. Een democratische samenleving heeft behoefte aan een vrij debat, met name over controversiële onderwerpen. Uit documenten, die op grond van de Wet open overheid zijn verkregen, valt af te leiden dat de vervolging van [appellante sub 2] deel uitmaakt van een politieke campagne die door de minister is ingezet om een ongewenst debat de kop in te drukken.
7.1. Niet in geschil is dat met het opleggen van de boetes inbreuk is gemaakt op de vrijheid van meningsuiting. Dat neemt niet weg dat uit artikel 10, tweede lid, van het EVRM volgt dat deze vrijheid kan worden onderworpen aan beperkingen, voor zover die beperkingen bij de wet zijn voorzien, zijn ingegeven door een of meer in die bepaling vermelde doelstellingen en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn, dat wil zeggen gerechtvaardigd door een dwingende maatschappelijke behoefte en met name evenredig aan het nagestreefde legitieme doel.
7.2. [appellante sub 2] bestrijdt niet dat dat de beperkingen op de vrijheid van meningsuiting zijn voorzien bij wet (artikelen 84, tweede lid, en artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet) en een legitiem doel (het beschermen van de volksgezondheid) dienen. Naar het oordeel van de Afdeling zijn die beperkingen, gelet op het nagestreefde doel, ook noodzakelijk in een democratische samenleving. De informatie op de website was eenzijdig en niet in overeenstemming met de destijds in Nederland medische wetenschap geldende medische standaard. Het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) had het gebruik van deze geneesmiddelen in de NHG-Standaard COVID-19 op dat moment al afgeraden. Het bereik van een website is potentieel ruim en de uitingen waren ook bedoeld voor mensen zonder medische kennis. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 augustus 2024, Bielau tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2024:0827JUD002000722. Verder had [appellante sub 2] voldoende andere mogelijkheden om haar mening over het COVID-19-beleid van de minister te geven en bij te dragen aan het maatschappelijk debat daarover. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het handhavend optreden van de minister in strijd is met artikel 10 vanPro het EVRM.
Het betoog slaagt niet.
Hoger beroep van de minister
8. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen boetes heeft mogen opleggen. Het is niet zo dat de COVID-19 pandemie per definitie een bijzondere omstandigheid is in het kader van boeteoplegging, waardoor de minister nooit een boete zou mogen opleggen voor overtredingen die met die pandemie te maken hebben. Juist bij een crisis is het uitgangspunt dat partijen zich moeten houden aan gezondheidswetgeving en dat de minister passende maatregelen kan nemen. De hoogte van de boete wordt bepaald aan de hand van de aard en de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid van de overtreder, de persoon van de overtreder en diens persoonlijke omstandigheden. Slechts indien de COVID-19 pandemie, in het licht hiervan, een bijzondere omstandigheid is, bestaat reden om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete. De boete is opgelegd met toepassing van de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 en de bijlage over de Geneesmiddelenwet. [appellante sub 2] is ingedeeld in de laagste categorie bij de boetedifferentiatie, waardoor de boetes al met 97,5% zijn gematigd ten opzichte van het normbedrag, aldus de minister.
8.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2277, moet een bestuursorgaan bij het toepassen van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete ingevolge artikel 5:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet hij rekening houden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Het bestuursorgaan kan omwille van de rechtseenheid en rechtszekerheid beleid vaststellen en toepassen over het wel of niet opleggen van een boete en het bepalen van de hoogte daarvan. Ook als het beleid door de rechter niet onredelijk is bevonden, moet het bestuursorgaan bij de toepassing daarvan in elk individueel geval beoordelen of die toepassing in overeenstemming is met de hiervoor bedoelde wettelijke eisen aan de uitoefening van de boetebevoegdheid. Steeds moet de boete, zo nodig in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zo worden vastgesteld dat deze evenredig is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuursorgaan met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie.
8.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat sprake was van bijzondere omstandigheden. Zij heeft erop gewezen dat [appellante sub 2] de uitingen tijdens de COVID-19 pandemie op de website heeft geplaatst, terwijl op dat moment (nog) geen effectieve medicatie beschikbaar was, er veel sterfgevallen waren en de ziekenhuizen overvol waren. Zij heeft ook gewezen op de motieven van [appellante sub 2], het willen laten horen van een tegengeluid over de effectiviteit van off-label gebruik van de geneesmiddelen HCQ en Ivermectine tegen de heersende medische opvattingen in en het aanzwengelen van een maatschappelijke discussie daarover. De rechtbank vond ook van belang dat de minister niet betwist dat [appellante sub 2] goede bedoelingen heeft gehad en zelf geen belang had bij het voorschrijven en gebruik van deze geneesmiddelen. Dit handelen bezien tegen de achtergrond van een wereldwijde pandemie leidde de rechtbank tot het oordeel dat een boete niet op zijn plaats was. De Afdeling volgt de rechtbank hierin niet. Uitgangspunt in de Beleidsregels bestuurlijke boete Ministerie Volksgezondheid Welzijn en Sport 2019 en de bijlage daarbij over de Geneesmiddelenwet is dat overtredingen van artikel 84, tweede lid, van de Geneesmiddelenwet en artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet voldoende ernstig zijn om (direct) te worden beboet en niet eerst een waarschuwing hoeft te volgen. De Afdeling ziet in de omstandigheden van dit geval niet dat de minister van dit uitgangspunt had moeten afwijken. De intenties van [appellante sub 2] zijn daarvoor niet van doorslaggevend belang. Die kon zij namelijk ook op andere wijze pogen te bereiken dan door het overtreden van de Geneesmiddelenwet. Ook goede bedoelingen kunnen onwenselijke gevolgen hebben. Het is juist ten tijde van een volksgezondheidscrisis van belang dat de gezondheidswetgeving wordt nageleefd en kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat het verkeerd of overmatig gebruik van receptgeneesmiddelen ernstige gevolgen kan hebben voor een patiënt. De minister heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de uitingen van [appellante sub 2] een groot bereik hadden. De gevolgen van het handelen van [appellante sub 2] voor de volksgezondheid waren in potentie aanzienlijk, gelet op het grote aantal mensen dat in Nederland aan COVID-19 werd blootgesteld. Er was daarom een dringend maatschappelijk belang om direct handhavend op te treden. Dat de overtredingen [appellante sub 2] niet kunnen worden verweten is verder niet gebleken.
De minister heeft de boetes voor deze overtredingen die een normbedrag hebben van € 150.000,- op basis van de omvang van haar organisatie met het maximale percentage, te weten met 97,5%, gematigd. De minister heeft de hoogte van de boete daarmee afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan [appellante sub 2] kan worden verweten. De minister heeft nog toegelicht dat op 26 januari 2021 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de Inspectie en onder andere de voorzitter van [appellante sub 2]. In dit gesprek heeft de Inspectie [appellante sub 2] medegedeeld dat in verband met de uitingen op de website een mogelijke overtreding van de Geneesmiddelenwet is geconstateerd. Dit gesprek heeft er echter niet toe geleid dat [appellante sub 2] de uitingen van de website meteen heeft verwijderd.
Het betoog slaagt.
Conclusie
9. Het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van de minister is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Er zijn geen beroepsgronden die de rechtbank niet heeft besproken. Gelet op wat onder 8.2 is overwogen, is het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 22 december 2022 ongegrond. Dit heeft tot gevolg dat [appellante sub 2] de boetes met een hoogte van in totaal € 6.375,00 moet betalen.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 augustus 2024 in zaak nr. 23/649;
IV. verklaart het door [appellante sub 2] ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
452-1033
BIJLAGE - Wettelijk kader
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Artikel 10
1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.
Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik
Artikel 86
1. Voor de doeleinden van deze titel wordt onder „reclame voor geneesmiddelen" verstaan, alle vormen van colportage, marktverkenning of stimulering, die bedoeld zijn ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen. […]
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:46
1. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
2. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
3. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
[…]
Geneesmiddelenwet
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
xx. reclame: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe;
[…]
ijij. publieksreclame: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, is bestemd;
Artikel 84
[…]
2. […] Alle aspecten van reclame voor andere geneesmiddelen dan die, bedoeld in de eerste volzin, zijn in overeenstemming met de gegevens die in de samenvatting van de productkenmerken van het desbetreffende geneesmiddel zijn opgenomen.
[…]
Artikel 85
Publieksreclame is verboden voor geneesmiddelen die:
a. uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld;