ECLI:NL:RVS:2026:1066

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406408/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterartikel 3 Besluit proceskosten bestuursrechtDienstenrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten wijziging ligplaatsvergunningen Rederij Amsterdam wegens onvoldoende motivering

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde op 15 juli 2022 vijf ligplaatsvergunningen van Rederij Amsterdam van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd met verschillende einddata. Na bezwaar verklaarde het college deze ongegrond en verlengde later enkele vergunningen. De rechtbank verklaarde het beroep van Rederij Amsterdam tegen deze besluiten ongegrond.

Rederij Amsterdam stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een verandering van omstandigheden of inzichten zoals vereist in artikel 2.2.6 van de Verordening op het binnenwater. Tevens was niet of onvoldoende ingegaan op de eisen van de Dienstenrichtlijn voor wijziging van ligplaatsvergunningen.

Daarom vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten, verklaarde het hoger beroep gegrond en droeg het college op binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Rederij Amsterdam.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de besluiten van het college Amsterdam en draagt op tot een nieuw besluit binnen achttien weken.

Uitspraak

202406408/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Rederij Amsterdam B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1288 in het geding tussen:
Rederij Amsterdam
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij vijf besluiten van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Rederij Amsterdam voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028.
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college de door Rederij Amsterdam daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij vier besluiten van 22 april 2024 heeft het college vier ligplaatsvergunningen van Rederij Amsterdam verlengd tot 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Rederij Amsterdam tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Rederij Amsterdam hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Rederij Amsterdam heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Rederij Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.
2.       De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
3.       Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Rederij Amsterdam moet nemen.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Rederij Amsterdam moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
5.       Het college moet de proceskosten vergoeden. De gemachtigde heeft in deze zaak en de zaken nrs. 202406384/1/A3, 202406387/1/A3, 202406389/1/A3, 202406391/1/A3 en 202406396/1/A3, in welke zaken ook vandaag uitspraak is gedaan, nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend. Ook zijn de zaken gelijktijdig op een zitting behandeld. Dit zijn daarom samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak beschouwd, waarbij wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het er meer dan vier zijn (onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht).
De vergoeding voor het beroep en hoger beroep moet worden verdeeld over de zes appellanten in deze zaken, wat neerkomt op een bedrag van € 1.128,58 per appellant(e).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1288;
III.      verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023, kenmerken: JB.22.014142.001/NT2022-002019, JB.22.014197.001/NT2022-002033,  JB.22.014204.001/NT2022-002034,  JB.22.014210.001/NT2022-002035,  JB.22.014211.001/NT2022-002036, en 22 april 2024, kenmerken: NT2024-000863, NT2024-000864, NT2024-000865 en NT2024-000866, gegrond;
IV.      vernietigt die besluiten;
V.       draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Rederij Amsterdam B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.128,58, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Rederij Amsterdam B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071