ECLI:NL:RVS:2026:1065

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406418/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterDienstenrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen wijziging ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd door college Amsterdam

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde bij besluiten van 15 juli 2022 de ligplaatsvergunningen van Stromma en Canal Bus van onbepaalde naar bepaalde tijd met verschillende einddata. Stromma en Canal Bus maakten bezwaar, dat door het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de besluiten op bezwaar en herroept de besluiten van 15 juli 2022.

In hoger beroep trok Stromma en Canal Bus hun beroep in, terwijl het college hoger beroep instelde tegen het oordeel van de rechtbank voor negentien vaartuigen zonder exclusieve op- en afstapplaats. De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte de besluiten van 15 juli 2022 voor deze vaartuigen heeft herroepen, maar bevestigt dat het college een nieuw besluit moet nemen over de bezwaarbesluiten.

De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2026:823) waarin is vastgesteld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van veranderde omstandigheden en niet voldeed aan de eisen van de Dienstenrichtlijn. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rest van de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en de rechtbankuitspraak wordt vernietigd voor negentien vaartuigen, met de opdracht aan het college om binnen achttien weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

202406418/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1269 in het geding tussen:
Stromma Nederland B.V. en Canal Bus B.V., allebei gevestigd in Amsterdam,
en
het college.
Procesverloop
Bij 27 besluiten van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Stromma en Canal Bus voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026, 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college de door Stromma en Canal Bus daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluiten van 19 maart 2024 en 22 april 2024 heeft het college de einddatum van de ligplaatsvergunningen van een aantal vaartuigen verlengd.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank de door Stromma en Canal Bus tegen de besluiten van 23 januari 2023, 19 maart 2024 en 22 april 2024 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Tegen deze uitspraak hebben het college, Stromma en Canal Bus hoger beroep ingesteld.
Het college, Stromma en Canal Bus hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Stromma en Canal Bus hebben een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, en Stromma en Canal Bus, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D.R. Pinxter, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het gaat in deze zaak om ligplaatsvergunningen voor exclusieve op- en afstapplaatsen waarvoor deze reders exclusieve gebruiksrechten hebben. Daarvoor hebben zij een huurovereenkomst gesloten met de gemeente. Het college moet over de exclusieve op- en afstapplaatsen nog beleid formuleren en dat kan pas op het moment dat duidelijk is wanneer de huurovereenkomsten eindigen. Omdat dat nog niet duidelijk is, heeft het college de ligplaatsvergunningen te vroeg gewijzigd. Daarom heeft de rechtbank de besluiten van 23 januari 2023, 19 maart 2024 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Hoger beroep van Stromma en Canal Bus
3.       Op de zitting bij de Afdeling hebben Stromma en Canal Bus het hoger beroep ingetrokken. Daarop heeft de Afdeling aan hen toegezegd de hogerberoepsgronden als schriftelijke uiteenzetting bij haar beoordeling te betrekken.
Hoger beroep van het college
4.       Het college heeft hoger beroep ingesteld, voor zover de rechtbank ook de besluitvorming heeft vernietigd die gaat over reguliere ligplaatsvergunningen, dus vergunningen voor ligplaatsen op locaties zonder exclusieve op- en afstapplaats. In het geval van Stromma en Canal Bus is voor negentien vaartuigen, namelijk de Albert Cuyp, J. Vermeer, M. de Klerk, P.J.H. Cuypers, Amstel, André Hazes, Breitner, Corneille, Daniel Stalpaert, Ferdinand Bol, Hendrick de Keyser, Jacob van Ruysdael, Jeroen Krabbé, Josephine, Judith Leyster, M.C. Escher, Mondriaan, Oboot en Rembrandt, een dergelijke ligplaatsvergunning afgegeven, aldus het college.
4.1.    Stromma en Canal Bus hebben op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat deze vaartuigen niet over een exclusieve op- en afstapplaats beschikken.
4.2.    Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank, voor zover het beroep zich richtte tegen de besluiten over de ligplaatsvergunningen voor deze negentien vaartuigen, in die gevallen ten onrechte de besluiten van 15 juli 2022 heeft herroepen. Het hoger beroep van het college leidt echter niet tot vernietiging van het gehele dictum van de rechtbank. Daarvoor is het volgende van belang.
4.3.    De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. De Afdeling stelt vast dat Stromma en Canal Bus in beroep gronden op deze punten hebben aangevoerd. De rechtbank heeft daarom, zij het op geheel andere gronden, de besluiten op bezwaar terecht vernietigd. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
4.4.    Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Stromma en Canal Bus moet nemen, voor zover dat betrekking heeft op de ligplaatsvergunningen voor de negentien hiervoor genoemde vaartuigen.
4.5.    Het betoog slaagt.
Conclusie over het hoger beroep
5.       Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, worden vernietigd, voor zover de besluiten van 15 juli 2022 over de ligplaatsvergunningen van de negentien vaartuigen zijn herroepen. De rechtbank heeft wel terecht het beroep gegrond verklaard en de besluiten op bezwaar over de negentien vaartuigen van 23 januari 2023, 19 maart 2024 en 22 april 2024 vernietigd, maar heeft in zoverre nagelaten het college op te dragen een nieuw besluit te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat het college voor die negentien vaartuigen een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen, met verbetering van de gronden waarop deze rust.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1269, voor zover de besluiten van 15 juli 2022, kenmerken: NT2022-001714, NT2022-001795, NT2022-001694, NT2022-001717, NT2022-001692, NT2022-001728, NT2022-001733, NT2022-001738, NT2022-001732, NT2022-001734, NT2022-001735, NT2022-001736, NT2022-001737, NT2022-001739, NT2022-001740, NT2022-001741, NT2022-001742, NT2022-001743, NT2022-001744 zijn herroepen en is nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
III.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen over de wijziging van de looptijd van de ligplaatsvergunningen voor de vaartuigen Albert Cuyp, J. Vermeer, M. de Klerk, P.J.H. Cuypers, Amstel, André Hazes, Breitner, Corneille, Daniel Stalpaert, Ferdinand Bol, Hendrick de Keyser, Jacob van Ruysdael, Jeroen Krabbé, Josephine, Judith Leyster, M.C. Escher, Mondriaan, Oboot en Rembrandt naar bepaalde tijd;
IV.     bevestigt voor het overige de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071