ECLI:NL:RVS:2026:1064

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406395/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na verkoop vaartuig

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde de ligplaatsvergunning van appellant van onbepaalde tijd naar bepaalde tijd met een einddatum die uiteindelijk werd vastgesteld op 1 maart 2030. Appellant verkocht zijn vaartuig en de ligplaatsvergunning werd op naam van Flagship Holding B.V. gezet. Ondanks deze wijziging trok appellant het hoger beroep niet in.

Tijdens de zitting op 30 oktober 2025 werd besproken of appellant nog procesbelang had bij het hoger beroep. De Afdeling oordeelde dat procesbelang ontbreekt wanneer het doel van het rechtsmiddel niet meer kan worden bereikt. Aangezien appellant geen vaartuig meer bezit, kan hij geen ligplaats innemen en heeft hij geen belang meer bij de vergunning.

Verder werd vastgesteld dat de rechtsopvolger, Flagship Holding B.V., het hoger beroep niet heeft overgenomen, waardoor de procedure niet door een rechtsopvolger wordt voortgezet. Gezien het ontbreken van procesbelang verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na verkoop van het vaartuig.

Uitspraak

202406395/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], handelend onder de namen Aqua Mare en Salonboot Hilda, wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/2318 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunning van [appellant] voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2028.
Bij besluit van 20 maart 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft het college de ligplaatsvergunning van [appellant] verlengd tot 1 maart 2030.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 20 maart 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Het college heeft de ligplaatsvergunning van [appellant] gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2030.
2.       Bij brief van 17 september 2025 heeft [appellant] medegedeeld dat hij zijn vaartuig heeft verkocht. De ligplaatsvergunning voor het vaartuig staat nu op naam van Flagship Holding B.V. Hij heeft het hoger beroep echter niet ingetrokken. Op de zitting heeft de Afdeling daarom met [appellant] besproken of hij nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn hoger beroep.
3.       Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
Met de verkoop van het vaartuig kan [appellant] niet langer bereiken dat hij met een vaartuig een ligplaats kan innemen in de Amsterdamse binnenwateren. Hij heeft ook niet gesteld nog om een andere reden belang te hebben, zodat naar het oordeel van de Afdeling geen procesbelang bestaat.
4.       Evenmin heeft, zoals [appellant] op de zitting heeft gesteld, een andere partij zijn plaats in het hoger beroep ingenomen. In geval van rechtsopvolging onder bijzondere titel, kan de procedure door de verkrijger worden voortgezet, mits het belang bij betrokkenheid in de procedure in zijn geheel op hem overgaat. De rechtsopvolger komt niet naast de belanghebbende, maar in plaats daarvan. Vergelijk daarvoor de uitspraak van 16 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2022:495.
De Afdeling stelt vast dat Flagship Holding B.V. het hoger beroep in deze zaak niet heeft overgenomen. Dit is op de zitting besproken met de gemachtigde van Flagship. De procedure wordt dus niet voortgezet door een rechtsopvolger.
5.       Gelet op het voorgaande moet het hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.
6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071