202406397/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Canal Motorboats B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1533 in het geding tussen:
Canal Motorboats
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunning van Canal Motorboats voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024.
Bij besluit van 26 januari 2023 heeft het college het door Canal Motorboats daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Canal Motorboats daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Canal Motorboats hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Canal Motorboats, vertegenwoordigd door mr. P.A. Willemsen, advocaat in Gorinchem, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is gesteld op 1 maart 2024. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 26 januari 2023 ongegrond verklaard. 2. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen. 3. Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Canal Motorboats moet nemen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 26 januari 2023 vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Canal Motorboats moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. 5. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1533;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 26 januari 2023, kenmerk: JB.22.014685.001;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Canal Motorboats B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.203, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Canal Motorboats B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071