ECLI:NL:RVS:2026:1061

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406420/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterDienstenrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten wijziging ligplaatsvergunningen Sloepdelen wegens onvoldoende motivering

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde op 15 juli 2022 ligplaatsvergunningen van Sloepdelen van onbepaalde tijd naar vergunningen voor bepaalde tijd met verschillende einddata. Na bezwaar verklaarde het college deze ongegrond en verlengde de vergunningen bij besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van Sloepdelen tegen deze besluiten ongegrond.

Sloepdelen stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een verandering van omstandigheden of inzichten zoals vereist in artikel 2.2.6 van de Verordening op het binnenwater. Tevens was niet of onvoldoende ingegaan op de eisen van de Dienstenrichtlijn voor het wijzigen van ligplaatsvergunningen.

Daarom vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van het college. Het college werd opgedragen binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, met inachtneming van de motiveringsvereisten. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van Sloepdelen.

Uitkomst: De besluiten van het college Amsterdam tot wijziging van ligplaatsvergunningen worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college moet binnen achttien weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202406420/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Sloepdelen B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/2418 in het geding tussen:
Sloepdelen
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij twee besluiten van 15 juli 2022 heeft het college ligplaatsvergunningen van Sloepdelen voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028.
Bij besluit van 16 maart 2023 heeft het college de door Sloepdelen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft het college de betrokken ligplaatsvergunningen van Sloepdelen verlengd tot 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Sloepdelen tegen de besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Sloepdelen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Sloepdelen, vertegenwoordigd door mr. L.P.W. Mensink, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.
2.       De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
3.       Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Sloepdelen moet nemen.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 16 maart 2023 en 22 april 2024 gegrond verklaren en die besluiten. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Sloepdelen moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
5.       Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/2418;
III.      verklaart de beroepen tegen de besluiten van 16 maart 2023, kenmerk: JB.22.014945.001, en 22 april 2024, kenmerken: NT2024-000883 en NT2024-000884, gegrond;
IV.     vernietigt die besluiten;
V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Sloepdelen B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Sloepdelen B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071