202406423/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,
2. Rederij Lovers B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/2208 in het geding tussen:
Smidtje Exploitatie B.V. (nu: Rederij Lovers), gevestigd in Amsterdam,
en
het college.
Procesverloop
Bij vier besluiten van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd met als einddatum 1 maart 2024, 1 maart 2026 en 1 maart 2028.
Bij besluit van 6 maart 2023 heeft het college de door Rederij Lovers daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij twee besluiten van 22 april 2024 heeft het college ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers verlengd tot 1 maart 2028 en 1 maart 2030.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Rederij Lovers tegen de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
Rederij Lovers heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Rederij Lovers en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Rederij Lovers heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, en Rederij Lovers, vertegenwoordigd door mr. L.W. Tellegen, advocaat in Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2024, 1 maart 2028 en 1 maart 2030. Het college heeft de gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. Het gaat in deze zaak om ligplaatsvergunningen voor exclusieve op- en afstapplaatsen waarvoor deze reders exclusieve gebruiksrechten hebben. Daarvoor hebben zij een huurovereenkomst gesloten met de gemeente. Het college moet over de exclusieve op- en afstapplaatsen nog beleid formuleren en dat kan pas op het moment dat duidelijk is wanneer de huurovereenkomsten eindigen. Omdat dat nog niet duidelijk is, heeft het college de ligplaatsvergunningen te vroeg gewijzigd. Daarom heeft de rechtbank de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen.
Hoger beroep
3. Het college betoogt dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de ligplaatsvergunningen van Rederij Lovers in deze procedure betrekking hebben op exclusieve op- en afstapplaatsen, dus vergunningen voor ligplaatsen op locaties zonder exclusieve op- en afstapplaats. De in dit geding aan de orde zijnde ligplaatsvergunningen hebben volgens het college betrekking op reguliere ligplaatsen. De rechtbank heeft volgens het college dan ook ten onrechte het beroep gegrond verklaard, de besluiten van 6 maart 2023 en 22 april 2024 vernietigd en de besluiten van 15 juli 2022 herroepen, aldus het college.
3.1. Rederij Lovers heeft in de schriftelijke uiteenzetting en op de zitting bij de Afdeling bevestigd dat de ligplaatsvergunningen waar het in deze procedure over gaat, niet zijn gesitueerd aan een exclusieve op- en afstapplaats.
3.2. Gelet daarop is de Afdeling van oordeel dat het hoger beroep van het college slaagt.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep
4. Rederij Lovers heeft wat betreft de reguliere ligplaatsvergunningen incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van het college slaagt. Omdat aan die voorwaarde wordt voldaan, komt de Afdeling toe aan een inhoudelijk oordeel over dat incidenteel hoger beroep.
4.1. Rederij Lovers betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het stelsel van de ligplaatsvergunning niet onder de Dienstenrichtlijn valt. In dat verband zou de Afdeling prejudiciële vragen moeten stellen over de toelaatbaarheid van beleidsmatige aspecten bij fysieke schaarste. Daarnaast is het college als gevolg van de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3732, niet bevoegd om de ligplaatsvergunning te wijzigen, aldus Rederij Lovers. 4.2. Dit betoog slaagt. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. De rechtbank heeft daarom, zij het op geheel andere gronden, de besluiten op bezwaar terecht vernietigd. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen. 4.3. Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Rederij Lovers moet nemen.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door de Rederij Lovers opgeworpen vraag niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Het college moet immers eerst motiveren waarom de wijziging van de ligplaatsvergunningen voldoet aan de Dienstenrichtlijn. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10 en 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4.5. Het betoog slaagt.
Conclusie over de hoger beroepen
5. Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep van Rederij Lovers zijn gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de besluiten van 15 juli 2022 zijn herroepen. De rechtbank heeft wel terecht het beroep gegrond verklaard en de besluiten op bezwaar vernietigd, maar heeft daarbij nagelaten het college op te dragen een nieuw besluit te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank voor het overige bevestigen, met verbetering van de gronden waarop deze rust. 6. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van Rederij Lovers B.V. gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/2208, voor zover de besluiten van 15 juli 2022 zijn herroepen en is nagelaten het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op te dragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
IV. draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
V. bevestigt voor het overige de aangevallen uitspraak;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Rederij Lovers B.V. in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071