ECLI:NL:RVS:2026:1054

Raad van State

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
202406389/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterartikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten wijziging ligplaatsvergunningen Amsterdam wegens onvoldoende motivering

Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde op 15 juli 2022 zeven ligplaatsvergunningen van Smidtje Beheer B.V. van onbepaalde tijd naar vergunningen met een einddatum in 2026, 2028 of 2030. Na bezwaar verklaarde het college deze ongegrond en verlengde later vijf vergunningen met twee jaar. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van Smidtje tegen deze besluiten ongegrond.

Smidtje stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een verandering van omstandigheden zoals vereist in artikel 2.2.6 van de Verordening op het binnenwater. Tevens was onvoldoende ingegaan op de eisen van de Dienstenrichtlijn voor het wijzigen van ligplaatsvergunningen.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten. Het college werd opgedragen binnen achttien weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de motiveringseisen. Daarnaast werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Smidtje.

Uitkomst: De besluiten van het college Amsterdam tot wijziging van ligplaatsvergunningen worden vernietigd wegens onvoldoende motivering en het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

202406389/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Smidtje Beheer B.V., gevestigd in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1292 in het geding tussen:
Smidtje
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij zeven besluiten van 15 juli 2022 heeft het college zeven ligplaatsvergunningen van Smidtje voor onbepaalde tijd gewijzigd in ligplaatsvergunningen met als einddatum 1 maart 2026, 1 maart 2028 of 1 maart 2030.
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college de door Smidtje daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij vijf besluiten van 22 april 2024 heeft het college vijf ligplaatsvergunningen verlengd met twee jaar.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Smidtje tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Smidtje hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Smidtje heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Smidtje, vertegenwoordigd door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1.       Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college ligplaatsvergunningen gewijzigd in ligplaatsvergunningen voor bepaalde tijd en hebben, na verlenging, een einddatum die is gesteld op 1 maart 2028, 1 maart 2030 of 1 maart 2032. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 ongegrond verklaard.
2.       De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
3.       Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Smidtje moet nemen.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroep tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Smidtje moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
5.       Het college moet de proceskosten vergoeden. De gemachtigde heeft in deze zaak en de zaken nrs. 202406384/1/A3, 202406387/1/A3, 202406391/1/A3, 202406396/1/A3 en 202406408/1/A3, in welke zaken ook vandaag uitspraak is gedaan, nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend. Ook zijn de zaken gelijktijdig op een zitting behandeld. Dit zijn daarom samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak beschouwd, waarbij wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het er meer dan vier zijn (onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht).
De vergoeding voor het beroep en hoger beroep moet worden verdeeld over de zes appellanten in deze zaken, wat neerkomt op een bedrag van € 1.128,58 per appellant(e).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1292;
III.      verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023, kenmerken: JB.22.014213.001/NT2022-002037, JB.22.014216.001/NT2022-002038, JB.22.014235.001/NT2022-002045, JB.22.014277.001/NT2022-002048, JB.22.014282.001/NT2022-002054, JB.22.014267.001/NT2022-002183 en JB.22.014223.001/NT2022-002104, en van 22 april 2024, kenmerken: NT2024-000885, NT2024-000886, NT2024-000889, NT2024-000891 en NT2024-000893, gegrond;
IV.     vernietigt die besluiten;
V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Smidtje Beheer B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.128,58, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Smidtje Beheer B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026
1071