Art. 2.2.6 Verordening op het binnenwaterartikel 3 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluiten wijziging ligplaatsvergunning en opdracht tot nieuw besluit
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wijzigde de ligplaatsvergunning van Salonboot Adeline B.V. van onbepaalde tijd naar een vergunning met einddatum 1 maart 2026, later verlengd tot 1 maart 2028. Adeline maakte bezwaar tegen deze besluiten, die door het college ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaarbesluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het verlengingsbesluit ongegrond.
Adeline stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had gemotiveerd dat sprake was van een verandering van omstandigheden zoals vereist in de Verordening op het binnenwater en onvoldoende rekening had gehouden met de eisen van de Dienstenrichtlijn. Daarom moest het college een nieuw besluit nemen.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de besluiten van het college, en droeg het college op binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan Adeline.
Uitkomst: De besluiten van het college worden vernietigd en het college moet binnen achttien weken een nieuw besluit nemen.
Uitspraak
202406387/1/A3.
Datum uitspraak: 25 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Salonboot Adeline B.V., gevestigd in Muiderberg, gemeente Gooise Meren,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1290 in het geding tussen:
Adeline
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 15 juli 2022 heeft het college de ligplaatsvergunning van Adeline voor onbepaalde tijd gewijzigd in een ligplaatsvergunning met als einddatum 1 maart 2026.
Bij besluit van 23 januari 2023 heeft het college het door Adeline daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 april 2024 heeft het college de ligplaatsvergunning van Adeline verlengd tot 1 maart 2028.
Bij uitspraak van 9 september 2024 heeft de rechtbank het door Adeline tegen het besluit van 23 januari 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het besluit van 22 april 2024 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Adeline hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Adeline heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 30 oktober 2025 behandeld, waar Adeline, vertegenwoordigd door mr. E.C.W. Timmer, advocaat in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.S. Jaasma, mr. M.R. Botman en mr. D.K. Jongkind, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Deze zaak kent een voorgeschiedenis die uitgebreid uiteen is gezet in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823. Ook in deze zaak heeft het college een ligplaatsvergunning gewijzigd in een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd. De einddatum is, na verlenging, gesteld op 1 maart 2028. Het college heeft het gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de rechtbank heeft het beroep tegen het verlengingsbesluit van 22 april 2024 ongegrond verklaard.
2. De Afdeling heeft in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, een oordeel gegeven over de besluitvorming van het college om de ligplaatsvergunningen te wijzigen. In die uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een verandering van omstandigheden of inzichten als bedoeld in artikel 2.2.6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening op het binnenwater. Eveneens is het college niet of onvoldoende ingegaan op de eisen die de Dienstenrichtlijn stelt aan het wijzigen van een ligplaatsvergunning. Het college moet op die punten dan ook een nieuw besluit nemen.
3. Dit oordeel betekent dat het college ook in deze zaak om dezelfde redenen een nieuw besluit op het bezwaar van Adeline moet nemen.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023 en 22 april 2024 gegrond verklaren en die besluiten vernietigen. Dat betekent dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van Adeline moet nemen met inachtneming van wat in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:823, is geoordeeld. Het college krijgt achttien weken om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden. De gemachtigde heeft in deze zaak en de zaken nrs. 202406384/1/A3, 202406389/1/A3, 202406391/1/A3, 202406396/1/A3 en 202406408/1/A3, in welke zaken ook vandaag uitspraak is gedaan, nagenoeg gelijkluidende stukken ingediend. Ook zijn de zaken gelijktijdig op een zitting behandeld. Dit zijn daarom samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze zaken worden voor de bepaling van de hoogte van de te vergoeden kosten voor rechtsbijstand als één zaak beschouwd, waarbij wegingsfactor 1,5 wordt toegepast omdat het er meer dan vier zijn (onderdeel C2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht).
De vergoeding voor het beroep en hoger beroep moet worden verdeeld over de zes appellanten in deze zaken, wat neerkomt op een bedrag van € 1.128,58 per appellant(e).
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 september 2024 in zaak nr. 23/1290;
III. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 januari 2023, kenmerk: JB.22.014393.001, en 22 april 2024, kenmerk: NT2024-000880, gegrond;
IV. vernietigt die besluiten;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen achttien weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij Salonboot Adeline B.V. in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.128,58, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan Salonboot Adeline B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 924,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.