ECLI:NL:RVS:2025:945
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 15 mei 2024 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 4 december 2024 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure informeerde de minister de Afdeling op 29 januari 2025 dat de vreemdeling zelfstandig Nederland had verlaten. Ondanks de mogelijkheid daartoe, gaf de gemachtigde van de vreemdeling geen contactgegevens of nadere informatie, waaruit de Afdeling concludeerde dat de vreemdeling geen bescherming meer zoekt in Nederland.
Op grond hiervan oordeelde de Afdeling dat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep en verklaarde zij het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer op 11 maart 2025.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling Nederland zelfstandig heeft verlaten en geen belang meer heeft bij de procedure.