ECLI:NL:RVS:2025:89
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van bewaring vreemdeling door minister en rechtbank
De minister van Asiel en Migratie stelde de vreemdeling op 5 november 2024 in bewaring. De vreemdeling maakte hiertegen bezwaar bij de rechtbank Den Haag, die op 2 december 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat het voornemen tot bewaring tijdens het gehoor niet betekent dat de beslissing al vaststond, aangezien de minister voorafgaand aan de inbewaringstelling zorgvuldig onderzocht of bewaring noodzakelijk was en of een lichter middel volstond.
De Raad van State vond geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt bevestigd.