ECLI:NL:RVS:2025:850
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie heeft op 23 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan een vreemdeling. De rechtbank Den Haag heeft op 27 januari 2025 het beroep van de vreemdeling tegen het voortduren van deze maatregel ongegrond verklaard. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling stelt vast dat het hoger beroep betrekking heeft op het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Volgens artikel 84 van Pro deze wet is tegen het voortduren van deze maatregel geen hoger beroep mogelijk. De Afdeling overweegt dat het verbod op hoger beroep slechts doorbroken kan worden indien sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, hetgeen hier niet het geval is.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen. Tevens wordt geoordeeld dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van H.G. Sevenster, op 7 maart 2025.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel.