ECLI:NL:RVS:2025:710
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep minister inzake overdracht vreemdelingen volgens Dublinverordening
De minister van Asiel en Migratie heeft bij bericht van 20 augustus 2024 aan de Kroatische autoriteiten medegedeeld dat de overdracht van vreemdelingen niet vóór 27 augustus 2024 kan plaatsvinden vanwege opschortende werking op grond van artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
De rechtbank Den Haag heeft op 12 november 2024 het beroep van de vreemdelingen tegen deze mededeling niet-ontvankelijk verklaard. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling oordeelt dat de minister in beginsel geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, omdat de rechtbank het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk heeft verklaard. De overwegingen van de rechtbank waartegen het hoger beroep is gericht, zijn ten overvloede genomen en de rechtsvraag is reeds beantwoord in een eerdere uitspraak van 5 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4948).
Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk, wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 907,00 ten behoeve van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.