ECLI:NL:RVS:2025:698

Raad van State

Datum uitspraak
21 februari 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
202407504/3/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:87 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing voorlopige voorziening vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 november 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 12 december 2024 gegrond en beval opheffing van de maatregel met schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening, die op 13 december 2024 werd toegekend, waardoor de maatregel bleef voortduren.

De vreemdeling verzocht op 11 februari 2025 om opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening, verwijzend naar een niet-ontvankelijk verklaard beroep bij de rechtbank tegen het voortduren van de maatregel. De voorzieningenrechter overwoog dat het verzoek niet kon leiden tot wijziging omdat het grensbewakingsbelang van de minister zwaarder woog en de inhoudelijke toetsing van de maatregel in andere procedures bij de Afdeling aan de orde is.

Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de minister niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter H.G. Sevenster op 21 februari 2025.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing of wijziging van de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

202407504/3/V3.
Datum uitspraak: 21 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [de vreemdeling] om opheffing of wijziging van een voorlopige voorziening (artikel 8:87 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 12 december 2024 in zaak nr. NL24.47092 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 12 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij uitspraak van 13 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5192, heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
De vreemdeling heeft bij brief van 11 februari 2025 de voorzieningenrechter verzocht de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen.
Overwegingen
De uitspraak van 13 december 2024
1.       In deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de vrijheidsontnemende maatregel niet hoeft te worden opgeheven totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Het verzoek van de vreemdeling
2.       De vreemdeling verzoekt de voorzieningenrechter de getroffen voorlopige voorziening op te heffen dan wel te wijzigen. Hij wijst erop dat hij bij de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel, maar dat de rechtbank dit beroep bij uitspraak van 31 december 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij klaagt dat het voortduren van de maatregel inhoudelijk moet kunnen worden behandeld.
Beoordeling
3.       In de uitspraak van 13 december 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van de minister om een voorlopige voorziening te treffen toegewezen, omdat onder de gegeven omstandigheden doorslaggevend gewicht toekomt aan het door de minister ingeroepen grensbewakingsbelang. Na hernieuwd onderzoek ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. De vreemdeling heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat de belangenafweging nu anders zou moeten uitvallen. De door de vreemdeling aan de orde gestelde vraag over inhoudelijke toetsing van het voortduren van de grensdetentie, ligt in een aantal hoger beroepen bij de Afdeling voor. Deze procedure bij de voorzieningenrechter leent zich niet voor behandeling van die vraag.
Conclusie
4.       Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2025
918