Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:6441

Raad van State

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
BRS.25.002437
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing bewaring wegens ontbreken rechtsgeldige terugkeerbesluit en toekenning schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie stelde appellant op 24 november 2025 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze maatregel op 12 december 2025 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellant ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of het terugkeerbesluit van 20 maart 2019 als grondslag voor de bewaring kon dienen. De rechtbank oordeelde dat dit besluit niet meer ter beoordeling stond, maar had moeten toetsen of het besluit wel als terugkeerbesluit kon gelden. De Afdeling stelde vast dat het besluit niet voldeed aan de vereisten, omdat het geen land van terugkeer noemde en de motivering onduidelijk was.

Omdat er geen rechtsgeldige terugkeerbesluit was, was de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en bepaalde dat de bewaring per direct wordt opgeheven. Tevens werd appellant een schadevergoeding van €3.800 toegekend over de periode van bewaring en werden de proceskosten van €2.721 vergoed.

Uitkomst: De bewaring wordt opgeheven wegens ontbreken van een rechtsgeldig terugkeerbesluit en appellant krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

BRS.25.002437
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.58139 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 november 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Schoneveld, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.        De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het terugkeerbesluit van 20 maart 2019 niet ter beoordeling voorligt en dat het besluit in rechte vaststaat. Appellant voert aan dat het terugkeerbesluit niet als grondslag kan dienen voor de maatregel van bewaring, omdat daarin geen land van terugkeer is genoemd.
1.1.        De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het besluit van 20 maart 2019 niet meer bij de bestuursrechter kan worden aangevochten. Dit neemt echter niet weg dat zij had moeten controleren of de minister dat besluit terecht ziet als het terugkeerbesluit waarop de maatregel van bewaring kan worden gebaseerd. Dat heeft zij niet gedaan zoals zou moeten.
1.2.        Appellant klaagt terecht dat het besluit van 20 maart 2019 geen terugkeerbesluit is waarop de maatregel van bewaring kon worden gebaseerd. Dit besluit voldoet namelijk niet aan de vereisten die volgen uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1155. In het besluit is niet uitdrukkelijk een land van terugkeer genoemd. Ook blijkt niet ondubbelzinnig uit de motivering van het besluit of het voornemen, dat deel uitmaakt van het besluit, naar welk land appellant zou moeten terugkeren. Dat uit de maatregel van 24 november 2025 en het vertrekgesprek van 26 november 2025 blijkt dat er gewerkt wordt aan de terugkeer naar Algerije, is niet voldoende om te kunnen oordelen dat sprake is van een aanvulling op het terugkeerbesluit. Omdat er geen terugkeerbesluit aan de maatregel ten grondslag ligt dat voldoet aan de eisen, is de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig.
1.3.        De grief slaagt.
2.        Omdat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is gegrond. De maatregel van bewaring wordt opgeheven met ingang van vandaag. Ook heeft appellant recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan appellant toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 december 2025 in zaak nr. NL25.58139;
III.        verklaart het beroep gegrond;
IV.        bepaalt dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
V.        kent aan appellant een vergoeding toe van € 3.800,00 over de periode van 24 november 2025 tot en met 31 december 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
872