ECLI:NL:RVS:2025:6432

Raad van State

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
202405939/1/A2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing urgentieverklaring door college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, die op 6 augustus 2024 haar beroep tegen de afwijzing van een urgentieverklaring door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ongegrond verklaarde. De aanvraag voor de urgentieverklaring werd ingediend op 7 juli 2023, waarbij [appellante] stelde dat zij door haar zoon fysiek en psychisch was mishandeld, wat haar woonsituatie onhoudbaar maakte. De rechtbank oordeelde dat [appellante] niet voldoende bewijs had geleverd voor haar claims, aangezien de medische informatie enkel op haar eigen verklaring was gebaseerd en er geen objectieve gegevens waren, zoals aangiftes of verklaringen van hulpverleners.

Het college van burgemeester en wethouders had in zijn besluit van 17 oktober 2023 aangegeven dat er geen sprake was van een urgent huisvestingsprobleem, zoals gedefinieerd in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarbij zij ook de hardheidsclausule van de verordening niet van toepassing achtte, omdat de situatie van [appellante] niet als schrijnend kon worden aangemerkt. In hoger beroep herhaalde [appellante] grotendeels de argumenten die zij eerder had aangevoerd, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank de gronden voldoende had behandeld en dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een ander oordeel rechtvaardigden.

De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak benadrukt het belang van objectief bewijs in zaken die betrekking hebben op urgentieverklaringen en de strikte toepassing van de relevante regelgeving.

Uitspraak

202405939/1/A2.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 augustus 2024 in zaak nr. 23/6806 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2023 heeft het college een aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 oktober 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. U. Tasdelen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2.       [appellante] heeft een aanvraag voor een urgentieverklaring ingediend. Zij stelt dat zij meerdere keren fysiek en psychisch door haar zoon is mishandeld, waardoor zij zich niet meer veilig voelt in haar woning. Haar klachten als gevolg van een bij haar gediagnosticeerde depressieve stoornis, PTSS en een persoonlijkheidsstoornis zijn hierdoor verergerd.
De besluitvorming
3.       Het college heeft aan het besluit van 17 oktober 2023 ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem, zoals bedoeld in artikel 2.10.5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: de HVV) gelezen in samenhang met hoofdstuk 1, paragraaf 3, aanhef en onder b, van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 (hierna: de nadere regels). Ook heeft [appellante] volgens het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar medische problematiek het gevolg is van of aanzienlijk bijdraagt aan haar woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 2.10.8, eerste lid, aanhef en onder b, van de HVV, gelezen in samenhang met hoofdstuk 1, paragraaf 11 van de nadere regels. Tot slot heeft het college geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule van artikel 2.10.11, eerste lid, van de HVV, gelezen in samenhang met hoofdstuk 1, paragraaf 24 van de nadere regels toe te passen, omdat niet vast is komen te staan dat in dit geval sprake is van een schrijnende situatie en dat op grond daarvan afgeweken moet worden van de regelgeving, door toch een urgentieverklaring te verstrekken.
De uitspraak van de rechtbank
4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een urgent huisvestingsprobleem heeft. Wat in de medische informatie van Atypisch psychosociale hulpverlening van 29 september 2023 over de bedreiging en mishandeling staat, is alleen gebaseerd op de eigen verklaring van [appellante]. Zij heeft hierover verder geen objectieve informatie, zoals bijvoorbeeld een aangifte of melding bij de politie of een verklaring van een hulpverlener, ingebracht. De enkele stelling van [appellante] dat zij angstklachten ervaart die verband houden met haar overleden stiefvader en met haar zoon, die bij zijn vader woont en geen sleutel van de woning heeft, is onvoldoende om aan te nemen dat haar psychische klachten gerelateerd zijn aan de woning. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep van [appellante] op de hardheidsclausule van artikel 2.10.11 van de HVV niet slaagt, omdat haar situatie niet kan worden aangemerkt als zeer uitzonderlijk of schrijnend. [appellante] heeft niet aangetoond dat sprake is van een acuut levensbedreigend probleem zoals bedoeld in hoofdstuk 1, paragraaf 24 van de nadere regels.
Het hoger beroep
5.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 11, 12 en 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar nog het volgende aan toe. Anders dan [appellante] betoogt, volgt uit de brieven van 30 oktober 2023 en 29 juli 2024 van het Sinai Centrum die zij in hoger beroep heeft overgelegd niet dat verhuizing een noodzakelijk vereiste is voor een geslaagde behandeling en dat de behandeling niet van start kan gaan voordat zij is verhuisd, zodat het college een medisch advies niet achterwege had mogen laten. In de brieven van het Sinai Centrum is alleen vermeld dat het voor een effectieve traumabehandeling van belang is dat [appellante] gedurende de behandeling een stabiele woonsituatie heeft. Uit de brieven is evenwel niet af te leiden dat [appellante] geen stabiele woonsituatie heeft of dat een causaal verband bestaat tussen haar woonsituatie en de bij haar geconstateerde psychische problemen. Ook ziet de Afdeling in de brieven geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de overwegingen van de rechtbank over de hardheidsclausule. [appellante] is niet op de zitting van de Afdeling verschenen om desgewenst daarop nog een nadere toelichting te geven.
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
284/705-1175
Bijlage
Wettelijk kader
Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
Artikel 2.10.5
Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
[…]
b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;
[…]
Artikel 2.10.8
2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.10.5 kan een urgentieverklaring worden verleend indien de aanvrager tot ten minste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:
[…]
b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.10.7 bedoelde urgentiecategorie;
[…]
Artikel 2.10.11
1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
[…]
Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2020
Hoofstuk 1, paragraaf 3
Bij alle categorieën van urgentie gelden de weigeringsgronden van de Huisvestingsverordening artikel 2.10.5. Kort verwoord weigert de gemeente de aanvraag als de aanvrager:
[…]
b. Geen urgent huisvestingsprobleem heeft (lid 1b), of;
[…]
Hoofstuk 1, paragraaf 11
a. De ernstige en levensontwrichtende aard van het medische probleem blijkt uit medische verklaringen van één of meer behandelend artsen of specialisten. Een verklaring van de huisarts is onvoldoende;
b. Psychische problemen zijn aantoonbaar chronisch, en de aanvrager moet op het moment van aanvraag minimaal 6 maanden onder behandeling zijn voor het betreffende medische probleem bij een specialistische, tweedelijns GGZ instelling of vrijgevestigd psychiater in Nederland. Praktijk Ondersteuner Huisartsenzorg, eerstelijns en/of basis GGZ vallen hier niet onder;
c. De huidige woonsituatie is levensontwrichtend omdat de bewegingsruimte van de aanvrager door de medische problemen teveel beperkt wordt dan wel de behandeling van het probleem wordt aantoonbaar in hoge mate ongunstig beïnvloed door de woonsituatie. Spanning, stress en/of psychische klachten samenhangend met de woonsituatie zijn geen redenen om een urgentieverklaring te verlenen;
d. Bij een chronische psychische stoornis kan de voorwaarde worden opgelegd dat de aanvrager of een lid van diens huishouden psychiatrische zorg of begeleiding aanvaardt.
Hoofstuk 1, paragraaf 24
Indien een aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden voor urgentieverlening kunnen burgemeester en wethouders alsnog een urgentieverklaring verlenen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening, onvoorziene omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.