202407260/1/A3.
Datum uitspraak: 31 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 oktober 2024 in zaak nr. 24/2590 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Lisse.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft het college de door [appellant] ingestelde ingebrekestelling vanwege het niet tijdig beslissen op zijn inzageverzoek, afgewezen.
Bij uitspraak van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep wegens niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.M. van der Laar en mr. A.M.F Overvoorde, advocaten in Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft op 25 december 2023 bij het college een verzoek om inzage gedaan op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) in een factuur van La Gro Geelkerken Advocaten van 28 november 2022. Op 26 januari 2025 heeft [appellant] een ‘Formulier dwangsom bij niet tijdig beslissen’ ingediend bij het college. Het college heeft hierop per brief van 30 januari 2024 gereageerd en [appellant] medegedeeld dat tijdig, namelijk op 5 januari 2024, een besluit is genomen op zijn verzoek en dat per post een kopie van de factuur is toegestuurd. Het college is daarom geen dwangsom verschuldigd aan [appellant]. [appellant] heeft rechtstreeks beroep ingesteld omdat het college volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn verzoek.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op 5 januari 2024 op het verzoek van [appellant] heeft beslist. Dat de ondertekening van het besluit de gemeente Teylingen vermeldt, in plaats van de gemeente Lisse, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat er door het college geen besluit volgens de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is genomen. De rechtbank gaat uit van een kennelijke verschrijving, welke [appellant] kenbaar had moeten zijn gelet op het besluit. Het genoemde kenmerk in het besluit is het kenmerk dat behoort bij het verzoek tot inzage bij het college, zo is ook te lezen onder het kopje 'verloop van de procedure'. Uit het briefhoofd van de gemeente Lisse en de rechtsmiddelenclausule volgt dit ook. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat de gemeente Lisse en de gemeente Teylingen tot de werkorganisatie HLTsamen behoren. De kennelijke verschrijving had in een eventuele bezwaarprocedure hersteld kunnen worden. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het feit dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt, omdat hij zich op het standpunt stelt dat de brief van 5 januari 2024 geen besluit is, voor zijn rekening komt.
Beoordeling van het hoger beroep
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er geen sprake is van een rechtsgeldig besluit. Het besluit is namelijk genomen door een onbevoegd bestuursorgaan. De fout van de verschrijving dient voor rekening te komen van het bestuursorgaan, en niet voor de burger. Bovendien is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het feit dat [appellant] het bestuursorgaan in gebreke heeft gesteld. Het had aan de hand van de ingebrekestelling kunnen en moeten constateren dat er een fout is gemaakt.
3.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 tot en met 7 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook het standpunt van [appellant], dat de rechtbank zijn beroep had moeten aanmerken als bezwaar tegen het besluit van 5 januari 2024, heeft hij niet nader onderbouwd.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.
w.g. Van den Biggelaar
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bindels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 december 2025
85-1166